Rugzak biedt extra kansen voor personen met verslaving: een interview met dhr Fons Leroy

‘De sociale economie en de reguliere economie hebben elkaar nodig’

Hoe kan de ‘sociale’ economie beter samenwerken met de ‘gewone’ economie?

Een interview met dhr Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van de VDAB.

Het nieuwe maatwerkdecreet komt er aan. Hoe voorkomt de VDAB dat er straks doelgroepmedewerkersuit de boot vallen?

Fons Leroy: Dit decreet moet de regels en structuur van de werkvormen binnen de sociale economie vereenvoudigen. Om de doorstroming naar reguliere bedrijven te bevorderen, komt er een beleidskader voor een versterkte begeleiding op de werkvloer. Een loopbaantraject in de sociale economie zal starten bij de indicering vanuit de VDAB. De VDAB maakt een inschatting van de individuele noden, kijkt of er sprake is van een arbeidsbeperking en bepaalt het werkondersteuningspakket (de zgn. rugzak), nodig om een duurzame inschakeling te realiseren. Met arbeidsbeperking bedoelen we elk probleem of arbeidshandicap die verhindert dat een persoon kan werken.

De afstand tot de arbeidsmarkt en het rendementsverlies van de doelgroepmedewerker gaan bepalen wat er in de rugzak zit. Een rugzak die zowel  in de sociale als de reguliere economie zal kunnen worden aangewend. De inhoud van de rugzak wordt niet langer enkel bepaald op basis van klassieke criteria (werkloosheidsduur, geschooldheid, leeftijd,…). Ook andere criteria worden in rekening gebracht. We hebben op dat vlak heel wat expertise opgebouwd o.m. via het systeem van de rugzak van personen met een handicap. We zijn  bezig met een aantal organisaties in het kader van de ‘W²-trajecten’,voor personen met medische en mentale, psychische en psychiatrische problematieken (MMPP) maar ook voor werkzoekenden in het kader van armoede (zie ook kaderstuk hierna). Bedoeling is te komen tot een uitgebreide lijst met indicatoren, tot een soort knipperlichtensysteem, ingebed in onze basisdienstverlening. Van zodra iemand zich aandient met mogelijks een langere afstand tot de arbeidsmarkt, krijgen we zo automatisch een waarschuwing.

goede_Fons003_lage_resolutieFons Leroy : “Enkel als het gewone economische circuit goed draait, is er geld voor de sociale economie”.

Het gaat om een grote transitie, een echte switch, ook voor onze partners: afstappen van de benadering waarbij iedereen van een bepaalde objectieve doelgroep dezelfde ondersteuning kreeg, naar het  positioneren van het individu op de hitparade van de arbeidsmarkt. Iemand die laag staat krijgt een zwaardere rugzak. Dit moeten we heel slim – niet bureaucratisch, wel objectief- uitwerken in overleg met de partners uit de sociale economie. Consulenten zullen een duidelijk framewerk moeten krijgen om in te werken.

Het vastleggen via de indicatielijsten voor personen met een handicap wordt binnenkort voorgelegd aan het werkveld, de sociale economie en de sociale partners. Dat gebeurt in dialoog omdat heel wat expertise met de doelgroep bij de partners zit, die het moeten toepassen.

Personen met een verslavingsprobleem vielen voorheen soms uit de boot?

Leroy: Dit is één van de nog af te bakenen thema’s. In overleg gaan we de subjectieve factoren, die de afstand tot de arbeidsmarkt bepalen, invullen. We zien steeds meer problemen inzake professionele integratie. Ook mensen met een afstand op andere emancipatorische domeinen: omwille van verslaving, gekwetste levensbiografie,… Die knipperlichten zitten reeds in ons model. De vraag is natuurlijk: hoe ver gaan we daar via dit rugzakmodel. In elk geval moeten we in de loop van het komend voorjaar een werkbaar systeem hebben. Dat systeem moet transparant, rechtvaardig en zo lichtvoetig mogelijk zijn.

Hoe ziet u de verhouding tussen de sociale economie en de reguliere economie?

Leroy:  De sociale en de reguliere economie hebben elkaar nodig. De sociale economie kan enkel bestaan dankzij de reguliere economie. Indien het gewone economische circuit goed draait, zijn er ook middelen mogelijk voor sociale economie. Anders niet. Maar tegelijk zijn ze sterk aanvullend.

UITDAGING

We staan voor grote uitdagingen op de arbeidsmarkt: allerhande demografische ontwikkelingen; stijgend aantal ”ouderen” op de arbeidsmarkt, vacatures die niet ingevuld raken, de evolutie naar een knelpunteneconomie – maken dat meer mensen langer en anders zullen moeten werken. De sociale economie moet daarop inspelen. Volgens een studie van Luc Sels (KUL) zullen er tegen 2015 in de reguliere economie 450.000 openstaande vacatures zijn. 300.000 daarvan hangen samen met de vervangingsvraag als gevolg van de vergrijzing. Dat is dus een gigantische uitdaging. Als we daar niet goed op anticiperen, zitten we met een zwaar economisch probleem én met een welvaartsprobleem. De focus van het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen moet daarom op de reguliere economie liggen. Tegelijk moeten we de band met de sociale economie versterken via die doorstroomgedachte. Ons beleid moet erop gericht zijn om de kloof met het reguliere te dichten. Bedrijven gaan zich als gevolg van de inkrimpende beroepsbevolking meer en meer moeten aanpassen aan personen met beperkingen op de werkvloer.  Het is immers onbegrijpelijk dat de integratie van personen met een beperking in andere lidstaten zoveel beter lukt.

de_sleutel_magazine_werk_004_uitsnedeFons Leroy: “Ik begrijp niet waarom de integratie van personen met een beperking in andere Europese landen zoveel beter lukt”.

De activering is volop bezig en de vijver wordt almaar kleiner.We zijn al volop mensen met multiple problemen aan het activeren samen met de partners uit de welzijnssector. Voor hen is de sociale economie een opstap, een echt doorstroomkanaal naar het  reguliere. Soms reageert de sociale sector echter té protectionistisch. De werkplaatsen willen de beste werkkrachten houden om de zaak te laten draaien en de personen zelf nestelen zich te veel. Er zijn dan ook meer stimuli nodig om deze beweging in gang te zetten.

Zijn de verwachtingen niet te hoog gespannen?

Leroy: Of te laag? We moeten zoeken naar een evenwicht. De doorstroomgedachte is nog te weinig ingebouwd in het beleid. Op regelmatige tijdstippen moeten we durven kijken of bepaalde personen op de juiste plaats aan de slag zijn. Alle kansen op doorstroom moeten gerealiseerd worden. Het is niet eenvoudig… Mensen op de arbeidsmarkt krijgen die op het RIZIV staan of mensen die in de armoede leven, of kampen met een MMPP-problematiek.. Maar de verhalen die we met onze partners schrijven wijzen uit dat 25 tot 30 % van personen in een begeleidingstraject effectief doorstroomt naar de reguliere economie. Vroeger zaten die dossiers in de onderste schuif bij de VDAB.

De sector mag ook niet te defensief  zijn. Men moet durven zoeken naar publiek-private samenwerking. Anticiperen om ook sociale economie leefbaar te houden. Veel producten uit die sector kunnen vermarkt worden, …Durf dat soort vragen te stellen. De marktinkomsten die een werkplaats binnenhaalt zijn toch ook complementair.

RENDABILITEIT ONDER DRUK

U gaf het zelf aan. Onze rendabiliteit komt bij doorstroom van onze goede krachten mogelijks onder druk te staan?

Leroy:  De doorstroomgedachte is enkel haalbaar als het financieel kader van de sociale economie wordt aangepast. Dat kan impliceren dat de overheid bepaalde budgettaire verantwoordelijkheden opneemt die ze vandaag niet opneemt. Betere werknemers moeten kunnen doorstromen en de werkplaats verlaten voor een job in de reguliere economie. Maar dat mag de werking van de werkplaats of het maatwerkbedrijf niet hypothekeren. De overheid moet kijken naar compenserende mechanismes. Misschien zijn hier ook PPS-mogelijkheden (1) gelet op de return voor de gewone economie.

Bij ons voelt een medewerker zich veilig. Wat als het niet lukt bij doorstroom? Ook de neerwaartse conjunctuur heeft impact.  Zullen er straks nog plaatsen voor onze doelgroep openstaan?

Leroy: Dat compenserende mechanisme geldt ook daar. Het activeringsbeleid moet transparant zijn én sociaal rechtvaardig. Er moet er een vangnet zijn. De mensen die de activeringsbeweging maken, mogen van die keuze niet het slachtoffer worden. Ze moeten kunnen terugkeren naar de sociale economie. Die doorgroei moet dus ook een terugkeergarantie inhouden. Dat heeft consequenties op vlak van financiering. En inderdaad. De toestand van arbeidsmarkt wordt mee bepaald door de economische conjunctuur. Maar nu komt die pensioengeneratie er aan. Die zorgt voor veel vervangingsvacatures . Daarom blijft die doorstroomgedachte ook realistisch en relevant in economisch moeilijke tijden.

Zijn gewone bedrijven inzake HR-beleid afgestemd op onze doelgroep?

Leroy: Dat is een belangrijke uitdaging. Jullie beschikken over de expertise van het werken met de doelgroep. Dat bedoel ik ook met de vermarkting. Jullie knowhow moet geëxporteerd worden naar de reguliere economie. Het zou toch mooi zijn dat zij die expertise erkennen en gebruiken om mensen op de reguliere werkvloer te integreren. De labofunctie die de sociale economie heeft, zouden we moeten erkennen in dat globaal samenwerkingsverband dat gericht is op de doorstroom.  

Hoe kunnen we therapie, werk en opleiding beter ‘matchen’ en tegelijk inspelen op de krapte op de arbeidsmarkt?

Leroy:  De sociale economie moet beter  aansluiten op de arbeidsmarkt . Ook maatwerkbedrijven moeten nadenken over het soort inhoudelijke activiteiten die ze organiseren. Zaken die complementair zijn met het aanbod uit het reguliere, maar ook durven innoveren en niches zoeken.

Dat kan op twee manieren. Mensen technisch vormen in een bepaalde arbeidsmarktrichting. Die technische competenties bijspijkeren blijkt vaak het eenvoudigste. Tegelijk moet je – in functie van die doorstroom – ook werken op sleutelcompetenties. Mensen weerbaar en wendbaar maken, mensen goesting geven om te leren. Maximaal sociale vaardigheden aanscherpen zodanig dat ze geen schrik hebben om de stap te zetten naar  die reguliere economie.  Vaak heeft men tijdens een traject echter negatieve ervaringen opgedaan, en moeten we hen opnieuw sterk doen voelen, hun emancipatorisch vermogen verhogen.

Is men binnen de VDAB ook bezig om die match beter te doen slagen?

We zijn volop bezig met dat competentiegericht matchen. Tegen 2013 moeten we een systeem hebben, gebaseerd op competenties. Elke vacature zal worden vertaald naar die competenties, hetzelfde gebeurt voor elke werkzoekende.  Door die matching zal  een werkgever meteen kunnen nakijken welke invloed het toevoegen van een bepaalde competentie heeft op de arbeidsreserve. Met dat profiel zijn er zoveel kandidaten, enz … Vandaag zoekt men tevergeefs een metselaar. Maar misschien zijn 60 % van de competenties van dat bepaald profiel ook aanwezig bij andere beroepen. Dat vergroot de potentiële reserve. Zo bieden we mogelijkheden om de competentiekloof vlugger en gerichter te dichten.

Paul De Neve

(1) PPS: Publiek-Private Samenwerking

W²: WELZIJN EN WERK

Voor bepaalde doelgroepen is de focus op werk onvoldoende om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Ze hebben vaak te kampen met een multi-problematiek die een aangepaste aanpak vraagt. Daarom focust VDAB binnen zulke geïntegreerde trajecten niet enkel op werk, er is ook aandacht voor de levensdomeinen : welzijn, zorg en empowerment.

Fons Leroy:  We kunnen hiervoor leren uit de W²-cirkels, door het HIVA ontwikkeld in het kader van het armoede-project. Bij de ontwikkeling van die cirkels wordt er enerzijds gekeken naar ‘zichtbare’ aspecten zoals inkomen, huisvesting, gezondheid, band met partner, relatie met kinderen, op tijd komen, ervaring met solliciteren, opleiding en werkervaring (de ‘buitenkant’ van armoede). Anderzijds bracht het onderzoek ‘onzichtbare’ aspecten in kaart: vb zelfvertrouwen, zicht op kansen, op talenten en wensen, op kwetsbaarheden, het geloof ooit terug aan het werk te geraken, omgaan met onverwachte tegenslagen(veerkracht), controle over het eigen leven, zicht op hulpverlening, de stap zetten naar hulpverlening, zich goed in hun vel voelen (aspecten ivm de ‘binnenkant’)’.
Doelstelling binnen het VDAB-beleid is om de W²-cirkels in te schakelen voor de kwalitatieve evaluatie van de werk-welzijnstrajecten in het kader van armoede. Tevens kan het product ingezet worden in een bredere dienstverlening zoals bvb. bij de kwalitatieve meting in het kader van een MMPP-problematiek en trajecten in samenwerking met het OCMW.

Inherent aan geïntegreerde trajecten is de samenwerking met partners.

Fons Leroy: ‘VDAB ziet tewerkstelling als een hefboom voor welzijn: een job verschaft een inkomen, haalt iemand uit zijn sociaal isolement, geeft zelfvertrouwen, dagstructuur en laat iemand participeren aan de maatschappij. We geloven niet in het chronologisch aanpakken van problemen maar wel in een geïntegreerde aanpak’

Arbeidszorg voor de meest kwetsbare doelgroepen wordt ingebed in een nieuw geïntegreerd beleidskader: W²-ondersteuningspakket (werk + welzijn). Het is een pakket aan maatregelen voor personen die door factoren van medische, mentale, psychische, psychologische aard nog niet of niet meer in staat zijn om te participeren op de arbeidsmarkt. Het pakket wordt op maat samengesteld door de casemanager werk en de casemanager welzijn op basis van een screening van de persoon en bestaat uit een combinatie van welzijn, zorg, empowerment en competentieversterking met als doel het realiseren van hun optimale participatie in de maatschappij.

‘Zoals in Nederland gaan we werken met een participatieladder met zes treden om bewegingen in de tijd zichtbaar te maken (i.f.v. participatieniveau). De onderste vier treden zijn voor mensen zonder arbeidscontract. De bovenste twee voor mensen met werk : trede 6 is regulier werk en trede 5 is ofwel sociale economie ofwel regulier werk met ondersteuning. De betrokkene kan dus stijgen op de ladder. Wanneer er een terugval is, kan er gedaald worden en nadien weer terug gestegen’. Het is een dynamisch model.

Die participatieladder moet nu ingepast worden in het W²-verhaal.Het kader hiervoor wordt verder uitgewerkt in werkgroepen met vertegenwoordiging van de partners.