Binnen De Sleutel bestaat een jarenlange traditie om op systematische én continue basis gegevens te verzamelen en te analyseren. Deze gegevensverzameling en -analyse werden steeds verder verfijnd, gevoed vanuit de overtuiging dat dit nodig is voor een beleid van kwaliteitszorg. Recent introduceerden we het ‘werken met indicatoren’ in De Sleutel. Dankzij deze indicatoren kunnen we de resultaten van bepaalde ingrepen sneller zichtbaar maken. Het worden handvatten voor het beleid.

Indicatoren zijn meetbare aspecten van zorg die een aanwijzing kunnen geven, ondermeer over de kwaliteit, de doelmatigheid en de toegankelijkheid van de zorg. Een indicator heeft een signalerende functie en doet geen uitspraken over wat goed of fout is. Hij krijgt maar betekenis wanneer er een norm is bepaald. Die norm is het resultaat van wetenschappelijk onderzoek, of van consensus onder experten (Spits & Schippers, 2008). Binnen De Sleutel willen we indicatoren introduceren die leidinggevenden uitnodigen tot het stellen van vragen en tot het doorvoeren van aanpassingen met het oog op het verbeteren van de gevoerde praktijk.

We maken daarbij onderscheid tussen: uitkomst-, proces- en structuurindicatoren. Uitkomstindicatoren geven informatie over de uitkomst van de zorg of hulp. Procesindicatoren verwijzen naar het verloop van de (zorg)processen binnen de organisatie. Structuurindicatoren geven informatie over de inzet en beschikbaarheid van de middelen (personeel, tijd, veiligheid, …).

Hieronder gaan we in op vijf van de zeven weerhouden indicatoren op basis van de informatie hierover voor 2009.

Uitkomstindicatoren

Binnen de verslavingszorg wordt behandeling of begeleiding verzorgd via een veelheid aan programma’s. Om daar vat op te krijgen werd in het verleden het volledige zorgaanbod onderverdeeld in modules, naargelang de voornaamste zorgfunctie en de doelstelling op het niveau van de cliënt. IJkpunten om de begeleiding binnen het kader van een module af te ronden zijn er echter niet. Enkel de module aanmelding – het geheel van activiteiten in samenhang met het eerste contact tot en met het eerste gesprek in een centrum -, en de module oriëntatie (zie verder) zijn op dat vlak duidelijk gedefinieerd.

Afronding ambulante modules

Een eerste uitkomstindicator verwijst naar de wijze waarop cliënten de modules in de ambulante centra verlaten. Onderstaande grafiek illustreert de verscheidenheid waarmee ambulante modules worden afgerond. 85% van de modules aanmelding wordt afgerond met een advies voor verdere behandeling in dezelfde afdeling.

Verdere begeleiding na de aanmelding begint doorgaans met de module oriëntatie. Deze bestaat uit minstens 3 gesprekssessies, met inbegrip van het EuropASI-interview – follow-up ASI of ADAD ingeval van minderjarigen -, én het feedback- en/of adviesgesprek, binnen de eerste dertig dagen na de start van deze module. 60% van de modules oriëntatie wordt afgerond met advies voor verdere begeleiding.

Daartegenover staat dat het aandeel cliënten dat een module voortijdig stopt, toeneemt naarmate men verder de aangeboden modules doorloopt. Waar nauwelijks 6% de module aanmelding voortijdig verlaat, stijgt dit aandeel tot 45% voor de begeleidingsmodules (voornamelijk individuele behandeling en groepswerking) die doorgaans volgen op de module oriëntatie. Maar, het aandeel cliënten dat positief wordt afgerond – dit is met een verwijzing terug naar de eigen omgeving – neemt dan weer toe. Immers, 20% van de begeleidingsmodules wordt positief afgerond.

grafiek_1_bisAfrondingen ambulante modules 2009 (grafiek 1)

Retentie

Een tweede uitkomstindicator verwijst naar de retentie. Retentie definiëren we als het aantal dagen dat een cliënt in behandeling is. Retentie wordt afzonderlijk berekend per module (ambulant) of per fase (residentieel). We berekenen daarvoor het aantal dagen tussen de start- en de einddatum van de module of fase waarin de cliënt begeleid werd.

Binnen de ambulante centra stellen we vast dat cliënten in de module individuele behandeling en motivatie doorgaans langer in begeleiding blijven dan in de module groepswerking. Ook in de therapeutische gemeenschappen zijn er aanzienlijke verschillen naargelang de fase waarin de cliënt verblijft.

Op basis van verschillen in retentie kunnen we niet concluderen dat de uitkomst van de ene of andere module/fase goed of fout is. Deze indicator helpt wel, bij herhaalde meting, een zicht te krijgen op de evolutie. Ook kan vergeleken worden met een vooropgestelde ideale retentie of norm op basis van consensus of wetenschappelijk onderzoek.

Overzicht retentie
 retentie

Procesindicatoren

Bereikte aanmeldingen

Een eerste procesindicator is het aandeel bereikte aanmeldingen. Dit is de verhouding tussen het aantal eerste gesprekken dat werkelijk is doorgegaan in de module aanmelding (teller), ten opzichte van het aantal geplande afspraken voor een eerste gesprek (noemer). Deze verhouding drukken we uit in een percentage.

Voor het volledige jaar 2009 is het aandeel bereikte aanmeldingen 83,2%. Echter, het is interessanter deze indicator maandelijks op te volgen. Uit de figuur blijkt dat de maandelijkse schommelingen vrij aanzienlijk zijn. Door deze indicator van maand tot maand op te volgen kunnen ongewone afwijkingen sneller aan het licht komen en kan tijdig worden bijgestuurd, waar nodig.

grafiek 2 bis Bereikte aanmeldingen 2009 (grafiek 2)

 

 

 

Richtlijn module oriëntatie (ambulant)

De indicator ‘richtlijn module oriëntatie’ is een tweede procesindicator. Hij drukt uit welk aandeel van de gestarte modules oriëntatie verliep volgens de richtlijn, die ondermeer verwijst naar de EuropASI (follow-up ASI of ADAD) én naar de termijn waarbinnen we deze module willen afronden (30 dagen). Op basis van deze indicator kunnen we meteen een aantal vaststellingen doen, die leiden tot een aantal interessante vragen.

We stellen de gegevens van 2009 voor in onderstaand vendiagram. Voor 76% van alle cliënten die een module oriëntatie startten in 2009, werd deze ook afgerond binnen een periode van 30 dagen. Bij 46% werd de EuropASI afgenomen binnen de 30 dagen. Bij 30% ontbreekt de EuropASI, follow-up ASI of ADAD. Bij nadere analyse blijkt dat het hier heel vaak gaat om kortlopende oriëntaties van maximaal 14 dagen.

Richtlijn module oriëntatierichtlijn_module_orintatie

Omgekeerd stellen we vast, dat voor een aantal personen wel een EuropASI, follow-up ASI of ADAD werd afgenomen tijdens de module oriëntatie, maar niet binnen een termijn van 30 dagen. Voor 15,5% van de modules oriëntatie, wordt de EuropASI pas later afgenomen. 80% van de EuropASI-interviews vindt plaats binnen een termijn van 60 dagen. Ten slotte, 9,5% van de modules oriëntatie beantwoordt aan geen van beide richtlijnen.

 

Intensiteit van behandeling

Hoger beschreven we de uitkomstindicator ‘retentie’. Behalve het aantal dagen dat een cliënt binnen een module geregistreerd staat, is het uiteraard ook belangrijk om op te volgen in welke mate en met welke frequentie de cliënt effectief contact heeft met het centrum. Daarom ontwikkelden we de procesindicator ‘intensiteit van behandeling’. Hieronder begrijpen we het aantal dagen waarop een cliënt binnen een bepaalde tijdsperiode gesprekken of consulten heeft gehad in het centrum of geparticipeerd heeft aan een groepsbegeleiding.

In onderstaande grafiek geven we afzonderlijk voor de modules individuele behandeling en groepswerking de maandelijkse evolutie van de intensiteit weer.

  Intensiteit van behandeling 2009 (grafiek 3)grafiek 3 bis

 

 

Voor de module individuele behandeling is zowel de gemiddelde als de mediaan intensiteit 2 dagen per maand. Dit betekent dat een cliënt in deze module tweewekelijks op gesprek komt in het centrum. Voor de module groepswerking varieert het aantal contactdagen per maand tussen 8 en 12 dagen. Dit houdt dus 2 tot 3 consulten of groepsbegeleidingen in per week.      

Besluit

Bovenstaande exemplarische bespreking van indicatoren stelt ons voor een viertal belangrijke uitdagingen.

Ten eerste is het cruciaal om te groeien naar een goede mix van indicatoren. Het volstaat niet om -hoe belangrijk ook- te focussen op de uitkomst van de verleende zorg en hulp. Voor het stellen van de gepaste vragen en het actief voeren van een beleid zal de korf ook indicatoren moeten bevatten over het proces en de randvoorwaarden binnen de organisatie. In de nabije toekomst wordt dit verder uitgewerkt en zullen onder andere ook indicatoren ontwikkeld worden die niet rechtstreeks te maken hebben met de cliëntenzorg.

Ten tweede, het draaiboek waarin de indicatoren beschreven worden, zal blijvend aandacht moeten hebben voor een goede definiëring van de indicatoren. Indicatoren moeten de leidinggevenden immers in staat stellen om in gesprek te gaan met elkaar en de medewerkers. Het spreken van eenzelfde taal op basis van eenduidige en transparante definities is in dit verband onontbeerlijk.

Ten derde, in bovenstaande bespreking werd een aantal indicatoren toegelicht voor het geheel van De Sleutel. Het spreekt voor zich dat elk van deze indicatoren ook berekend kan worden per afdeling afzonderlijk. Dit moet het mogelijk maken om – waar mogelijk – afdelingen onderling te vergelijken en aan zogenaamde ‘benchmarking’ te doen. Dergelijke benchmarking moet er voornamelijk toe bijdragen dat afdelingen van elkaar kunnen leren en de gevoerde praktijk aldus kunnen optimaliseren.

Tot slot: in bovenstaande toelichting behoeden we ons met opzet voor uitspraken over wat goed en slecht is. Een indicator op zich heeft slechts een signalerende functie en dient in eerste instantie om inzicht te verwerven. Om te evalueren of een bepaalde praktijk goed of slecht is, zijn bijkomende normen nodig waartegen de indicatoren kunnen worden afgewogen.

Geert Lombaert & Veerle Raes

Gent, juni 2010

  

Spits, M. & Schippers, G.M. (2008). Hoe kunnen resultaten van zorg aan verslaafden worden gemeten en gebruikt? Over operationalisatie en toepassing in de verslavingszorg van prestatie-indicatoren 1.2 en 1.4 van de basisset prestatie-indicatoren geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Amsterdam, AIAR (Rapport in opdracht van project Resultaten Scoren van GGZ Nederland te Amersfoort).