VOORGESCHIEDENIS

Anderhalf is Nele als haar vader sterft, haar zusje amper drie maanden. Hun moeder blijft totaal ontredderd achter, alleen met een peuter en een baby. Tot ze gaat samenwonen met een nieuwe man. Een foute keuze, zo blijkt:

Nele: In het begin ging alles goed. We kregen er een broertje bij, Ward, die nu veertien is. Mijn moeder vond dat haar kinderen een vader nodig hadden en dacht dat wij tevreden met hem waren. Maar tussen haar en hem boterde het niet meer. De man had een drankprobleem. Zelf ben ik veel vergeten van die periode. Maar ik herinner me wel nog dat we vreselijke straffen van hem kregen. Hij sloot ons op in de kelder of we moesten buiten in de kou staan. Vooral mijn zus was het slachtoffer van zijn grillen. Zij was het zwarte schaap. Ze kreeg van alles de schuld, ook als ze niks fout deed. Ik was de oudste en kwam altijd tussenbeide. Ik nam mijn broertje en zusje in bescherming. Uiteindelijk heeft mijn moeder die man aan de deur gezet.

Ook daarna bleef ik me verantwoordelijk voelen. “Als er iets is, kom je naar mij”, maakte ik mijn broer en zus duidelijk. “Mama heeft genoeg problemen aan haar hoofd.” Het ging zelfs zo ver dat mijn zus me soms mama noemde. Ik was een zeer zelfstandig kind. Vanaf mijn vijf jaar weigerde ik elke vorm van lichamelijk contact. Een hand geven om naar school te gaan? Daarvoor voelde ik me te groot. Mijn moeder mocht me niet meer knuffelen. Ik stelde me erg afstandelijk op. En tegelijk zorgde ik voor mijn broer en zus. Pas achteraf heb ik beseft dat het veel te veel voor me was op die leeftijd.

PUBERBUIEN
Als Nele elf is, trouwt haar moeder opnieuw. Papa, noemen de kinderen haar man. Er komt nog een broertje bij. Het gezin herademt. Tot Nele in de puberteit belandt.

Nele: Op mijn dertiende is er iets geklikt in mijn hoofd. Ik had al die tijd zoveel verantwoordelijkheid op mijn schouders geladen, maar nu nam papa die van me over. Ik moest niet meer voor de kinderen zorgen. Toen heb ik beslist: “ Nu is het mijn beurt om te leven.” In het begin leken het gewone puberbuien. Ik aanvaardde geen gezag, rebelleerde tegen alle volwassenen. In mijn ogen waren zij het kwaad van de wereld. Ik botste met mijn ouders, de ruzies liepen hoog op.

Toen ik vijftien was, is de storm volledig losgebarsten. Ik had een vriendje op wie ik stapelgek was. Hij was mijn prins op het witte paard, met hem ging ik trouwen. Tot hij me bedroog. Hij flirtte voortdurend met andere meisjes, begreep niks van mijn pijn en vond dat ik dan maar hetzelfde moest doen. Zo ging ik de versiertoer op. Ik pikte er meteen een zware jongen uit: hij nam drugs, stal brommers en was al eens met de politie in aanraking gekomen. Na hem volgde een lange reeks liefjes. Het werd een spel voor me: jongens versieren en daarna weer dumpen.

Tegelijk ben ik beginnen blowen. Ik stond op met een joint en ging er mee slapen. Ik heb paddestoelen geprobeerd, waardoor je gaat trippen. Wreed lekker, vond ik dat.
En een paar keer heb ik speed genomen. Ik was in die tijd ook geobsedeerd door “shotten”: ik wilde dolgraag heroïne in mijn aders spuiten. Mijn ouders zijn verplegers. Ze hadden injectienaalden in huis, dus was het makkelijk voor me om daarmee te experimenteren. Ik trok bloed bij mezelf, gewoon om die naald in mijn aders te voelen. Aan echte heroïne ben ik nooit geraakt. Ik heb met mannen geslapen die mijn vader konden zijn omdat ze me stuff beloofden, maar ze lieten het telkens afweten: “Je bent te jong, te mooi en te verstandig om je toekomst te vergooien. Je hebt nog een heel leven voor je. Ik wil het niet kapotmaken.” Achteraf bekeken is dat mijn geluk geweest. Maar toen vond ik het verschrikkelijk frustrerend.

VERMIST

Nele: Mijn moeder zag dat het helemaal de verkeerde kant op ging en stuurde me naar een psycholoog. De sfeer thuis was beneden alle peil. We maakten voortdurend ruzie, vaak om kleine dingen. Ik weigerde bijvoorbeeld een jas te dragen. Putje winter liep ik rond in een T-shirt en een rokje. Mijn ouders konden er de muren van op lopen. ’s Morgens vertrok ik vroeg naar school om met een paar maten op een pleintje te blowen. Ik leefde op mijn kamer, kwam zelden naar beneden. Ik mocht ook niet meer naar buiten omdat mijn ouders me niet vertrouwden. Ik gedroeg me steeds gekker, dweepte met de dood. Als ik zin had om me voor een auto te gooien, deed ik dat gewoon. Mijn vrienden hebben me meer dan eens net op tijd tegengehouden. Ik begon mezelf ook te verminken. Mijn armen staan nog vol littekens.

Dat ik andere mensen pijn deed met mijn gedrag, drong niet tot me door. Tot ik van huis wegliep. Vier dagen ben ik weggebleven. Dan heeft de politie me opgepakt. Thuis liet ik een complete ravage achter. Mijn zus, met wie ik een diepe band heb, is volledig beginnen flippen. Mijn jongste broertje was net zindelijk en begon weer in zijn broek te plassen. Mijn andere broer sloot zich op in zichzelf en wilde niet meer praten. Mijn ouders waren radeloos. Er werden affiches van me verspreid: vermist! Het was een circus. Toen ik dat allemaal te horen kreeg, dacht ik wel even: “Shit”.

Toch werd de sfeer thuis ijziger. Ik kon er niet leven. Ik voelde mij verstikt. Ik had lucht nodig, maar kreeg geen vrijheid. Opnieuw weglopen leek me de enige 3 uitweg. Maar ik wist ook wat het allemaal teweeg zou brengen, en dat wilde ik niet opnieuw. Uiteindelijk heb ik mijn moeder gevraagd om me naar een home te brengen. Zo is mijn ronde langs de instellingen begonnen.

LISA
Een reeks instellingen passeert de revue. Nele kan zich moeilijk aanpassen. Ze lapt alle regels aan haar laars. Ze blijft blowen, wat absoluut verboden is. En ze blijft zichzelf verminken. Ze wordt doorverwezen naar de psychiatrie.

Nele: In elke instelling gedroeg ik me volgens hetzelfde patroon. Uiterlijk liep ik blij en opgewekt rond, maar binnenin verstopte ik de pijn. Ik stond altijd klaar om de andere meisjes te helpen. “Als je verdriet hebt, moet je dat tonen. Als je kwaad bent, moet je dat zeggen”, hield ik ze voor. Maar van mezelf eiste ik precies het omgekeerde. Als ik mijn verdriet toonde, vond ik me zwak. Ik kropte alles op.

Maar de pijn in mijn hart was te sterk. Soms kwam ze in alle hevigheid naar boven. Om gek van te worden. Dan pakte ik een mes of een stuk glas en begon ik mezelf te snijden. De eerste krassen deden me niks. Pas als mijn armen helemaal open lagen, voelde ik de lichamelijke pijn. En die had ik nodig om de pijn binnenin te verjagen. Mezelf snijden, was mijn manier om mijn verdriet weg te stoppen.

Er was nog een bijkomend probleem. Ik geloofde dat ik schizofreen was. Ik wilde altijd en overal goed zijn. Ik weet wel dat elke mens ook negatieve karaktertrekken heeft, maar bij mezelf kon ik ze niet aanvaarden. Wanneer ik slechte dingen deed, schreef ik die toe aan een andere persoon in mezelf. Lisa, noemde ik haar. Nele was mijn opgewekte, lieve, helpende kant. Lisa mijn donkere zijde. Ik hou niet van mensen slaan. Ik haat grofheden. Dat soort dingen horen niet thuis in mijn wereld. Maar als Lisa bovenkwam, deed ik het allemaal.

PETER PAN
Van de psychiatrie gaat het weer naar een instelling. Vandaar opnieuw naar de psychiatrie. Nele blijft brokken maken. Na een tussenstop in een crisis interventie centrum, komt ze in de jeugdafdeling van De Sleutel terecht. Na weer maar eens een incident verhuist ze ten slotte naar de volwassenenafdeling van de therapeutische gemeenschap.

Nele: Je bent pas echt clean, als je ook clean bent vanbinnen. Dat vraagt eerlijkheid. Om met een schone lei te beginnen moet je kunnen opbiechten wat je fout deed. Dat kon ik in de jeugdafdeling nog niet. Ik hield iedereen voor de gek. Ik bleef plannen maken om te gebruiken, terwijl ik deed alsof dat niet zo was.
Toch was van de drugs afblijven niet mijn grootste probleem. Vooral mijn gedrag moest veranderen. Ik ging met iedereen naar bed. Seks was de enige manier die 4 ik kende om vriendschap te sluiten. Alleen zo kreeg ik liefde, alleen zo kon ik iemand aan me binden. Als ik nee zei, zou ik vriendschap verliezen, redeneerde ik toen.

Ik was zeventien toen ik op de afdeling voor volwassenen terechtkwam en ik was verschrikkelijk boos. Peter Pan is mijn lievelingssprookje. De jongen die niet volwassen wil worden. Zo voelde ik me ook. Het heeft een hele poos geduurd voor ik wilde meewerken. Mijn zus was mijn grootste motivatiebron. Zij is zonder meer de belangrijkste persoon in mijn leven. Maar mijn ouders hadden alle contact met haar verboden. Dus dacht ik: “Als ik verander, kan ik mijn zus weer zien.”

Ik heb veel gebotst voor ik tot inzicht kwam. Pas na een half jaar liep het goed. Zo goed, dat ik niet meer weg wou uit De Sleutel. Dit was mijn wereld. Je hele gamma gevoelens komt op tafel: van toen je als baby in de buik van je moeder zat, over je kindertijd, tot nu. Alles moet je delen met de groep. Schaamtegevoelens, boosheid, écht alles.

Ik heb er vrienden gemaakt. Ik leerde wat échte vriendschap, liefde en vertrouwen betekenen. Vroeger was ik rusteloos, nu heb ik vrede met mezelf. Pas dan kan je gelukkig zijn.

In De Sleutel heb ik ook mijn vriend leren kennen. Hij heeft aan de heroïne gezeten. Zeven maanden zijn we samen en het klikt fantastisch: we hebben dezelfde geschiedenis, we hebben samen het programma doorlopen. En ik kan je verzekeren: dat is de hel. Er zijn jongeren die nog liever naar de gevangenis zouden gaan dan hier te komen afkicken.

ZILVER EN GOUD
Na het intensieve programma gaat Nele naar een tussenhuis. Daar leren exverslaafden stap voor stap om zich opnieuw te integreren in de maatschappij. Drie tussenfasen heeft ze inmiddels met glans doorlopen. Nu woont ze weer thuis.

Nele: Zo’n tussenhuis heb je nodig om af te kicken van de therapie. Als ze je van De Sleutel rechtstreeks in de buitenwereld zouden droppen, herval je sowieso. Het contrast is te groot. Je hebt je helemaal blootgegeven, je bent te kwetsbaar voor de realiteit van elke dag.

Als je een jaar clean bent, krijg je een zilveren sleuteltje. “Open je hart”, staat erin gegraveerd. Ik draag het altijd. Ook om te slapen of onder de douche. Eén keer heb ik het van mijn hals gehaald. Ik had mijn vriend bedrogen en vond mezelf niet waard om het te dragen. Bijna was ik hem kwijt, maar hij heeft het me vergeven.

Nu heb ik nog één fase te gaan. Dan ‘gradueer’ ik en krijg ik een gouden sleutel. Naar dat moment kijk ik uit. Pas dan zal ik durven zeggen: “Voor het eerst in mijn leven heb ik écht iets bereikt.”

EPILOOG
Nele maakt plannen. Ze loopt weer school en wil daarna verpleegkunde studeren, net als haar ouders. Moeilijke momenten zijn er ook nog. In de stad loopt ze wel eens vrienden uit haar donkere periode tegen het lijf. Jongens en meisjes die de eindstreep niet haalden.

Nele: De realiteit is hard. Ik weet dat ik geen contact met hen mag zoeken. Als ik dat doe, is de kans om te hervallen te groot. Met sommige van hen heb ik maandenlang therapie gevolgd. We hebben samen plezier gemaakt en verdriet gedeeld. We hebben onze ziel voor elkaar blootgelegd. En dan zie je ze rondlopen… met holle ogen, bleek, uitgemergeld, totaal verslaafd. Dat doet verschrikkelijk veel pijn. Toch sterkt het me ook. Uiteindelijk is het zielig om zo te moeten leven. Ik blijf vechten, ik geef het niet op.

 

bron: e-zine mei 2004