Therapeutische gemeenschappen voor drugverslaafden: een win-win voor cliënt en maatschappij

$$R5
Op vrijdag 28 april 2006 hield de Belgische Federatie van Therapeutische Gemeenschappen (B.F.T.C) haar tweejaarlijkse studiedag in het Vormingscentrum Guislain te Gent. Reeds meerdere jaren komt het B.F.T.C. regelmatig samen om informatie uit te wisselen en te discussiëren over gemeenschappelijke thema’s in de residentiële behandeling van mensen met een drugverslaving. Op deze studiedag was de groepsencounter als therapeutisch middel voorwerp van studie en uitwisseling. Gastsprekers waren Prof. Dr. Eric Broekaert en Dr. Stijn Van de Velde (universiteit Gent), Rudy Bracke en Dirk Calle (De Kiem) en Katrien Reynaert (De Sleutel). Deze studiedag illustreerde perfect dat de langst bestaande gespecialiseerde drughulpverleningvorm zich verder blijft actualiseren op de noden van vandaag.

Eerste beweging: het ontstaan

$$L4

Therapeutische gemeenschappen (T.G.) zijn in ons land de oudste gespecialiseerde behandelingsvorm voor drugverslaafden. De oorsprong situeert zich in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië in de schoot van de zelfhulpbewegingen, de nieuwe schoolbeweging en de humanistische psychologie. Alle T.G.’s in België startten op in de periode 1970-1980 als privé-initiatieven en bedongen, los van elkaar, een specifieke conventie met het R.I.Z.I.V. De sterkte van therapeutische gemeenschappen was dat ze therapie en educatie aan elkaar koppelden in een veilige omgeving. De totale abstinentie van drugs, het aanleren van een positieve levensstijl en de haalbare (re)integratie van de cliënt in de samenleving waren de doelstellingen. Dit veronderstelde een diepgaand veranderingsproces van de verslaafde en zijn omgeving. Deze verandering vond in de therapeutische gemeenschap plaats in de dynamiek van de minileefgemeenschap waar structuur, zelfhulp en groepsinteractie de therapeutische mechanismen vormden. Veiligheid, respect, eerlijkheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid waren de waarden die alle interacties kenmerkten.

$$L3
Tweede beweging: professionalisering & differentiëring binnen de drughulpverlening

Therapeutische gemeenschappen bleven echter niet de enige actoren in het veld. Later werden crisiscentra, dagcentra en kortdurende programma’s opgericht, met de bedoeling om meer mensen met drugproblemen te kunnen bereiken. Door de toenemende criminaliteit bij druggebruikers en de opkomst van H.I.V. werd het beperken van de maatschappelijke overlast nieuwe prioriteit. De nood aan deze ‘harmreduction’ (met de opstart van de Medisch Sociale Opvang Centra) maakte de drughulpverlening een stuk minder hoogdrempelig. Ook steeds meer psychiatrische ziekenhuizen startten met een afdeling voor verslaafde patiënten. Deze evolutie in de sector bracht de verschillende T.G.-programma’s in Vlaanderen en Wallonië dichter bij elkaar in een stijgende behoefte om historische en ideologische verschillen te overbruggen. In 1993 was het B.F.T.C. een feit.
Het voorbije decennium zijn de T.G.’s zich meer en systematisch gaan professionaliseren. Groepsprocessen worden tegenwoordig overal begeleid door getrainde stafleden (ervaringsdeskundigen en niet-ervaringsdeskundigen) en worden ondersteund door individuele counseling, medische begeleiding door verslavingsartsen en psychiaters en familiebegeleiding door opgeleide psychotherapeuten. De programma’s hebben zich verder gedifferentieerd om tegemoet te kunnen komen aan de noden van specifieke doelgroepen binnen de populatie verslaafden (minderjarigen, dubbeldiagnose cliënten, moeders met kinderen, migranten…). Ook de nazorg wordt nu meer op maat van de cliënt georganiseerd. Maar ook in deze interne evoluties zijn therapeutische gemeenschappen trouw gebleven aan hun basisfilosofie van zelfhulp en de kracht van onderlinge beïnvloeding door de cliënten.

Derde beweging: plaats binnen de zorgcircuits
$$R2
TG’s hebben met hun herstelmodel een solide plaats in de recentelijk opgerichte regionale zorgcircuits middelenmisbruik. In deze netwerken stemmen alle zorgverstrekkers voor drugverslaafden hun aanbod complementair af in functie van de noden van cliënten. Binnen de zorgcircuits richten therapeutische gemeenschappen zich specifiek op drugverslaafden die door hun druggebruik reeds op jonge leeftijd in een problematische opvoedingssituatie terechtkwamen (of omgekeerd) en daardoor hun onderwijs gerateerd hebben, meestal met justitie in botsing gekomen zijn en door al deze factoren in de vicieuze cirkel van steeds verdergaand maatschappelijk isolement terechtkwamen. Het zijn afhankelijken voor wie gecontroleerd gebruik en maatschappelijke handhaving op eigen kracht al lang geen mogelijkheid meer zijn of voor wie ambulante begeleiding een te langdurig proces met slechte prognose zou vergen. Substitutietherapieën (methadon, buprenorfine) en ambulante ondersteuning richten zich in eerste instantie niet tot deze doelgroep maar tot gebruikers die nog over een beperkt aantal protectieve factoren in hun leven beschikken (zoals o.a. een redelijke lichamelijke gezondheid, een of ander diploma op zak, voldoende cleane ankerfiguren, betaald en legaal werk, …). Ook cliënten die niet over deze natuurlijke steunpunten beschikken blijven echter al te lang hangen in de laagdrempelige zorgvormen waar ze via shopping-gedrag hun gebruik toch nog in stand weten te houden. Voor een deel van deze zogenaamde “draaideurcliënten” is de enige benefiet op deze manier het beperken van de “overlast op straat” zonder zelf significante progressie te maken. Toch kunnen velen van hen hun plaats in de samenleving terug innemen via de tussenstap van een langdurig residentieel TG- programma.

Resultaten

“Langdurig” wordt dan immers zeer relatief. Een cliënt die met de steun van lotgenoten en professionelen in het programma terug clean wordt, een pro-sociale levensstijl ontwikkelt, op een persoonlijke en legale manier inkomen leert verwerven, degelijke en betaalbare huisvesting vindt, schulden vereffent en een vrije tijdsnetwerk uitbouwt slaat twee vliegen in een klap: hij heeft terug zijn unieke en persoonlijke plek in de samenleving gevonden en de samenleving heeft geen overlast meer van hem of haar, integendeel, ze krijgt een productieve burger terug. Onderzoeken van De Leon in de Verenigde staten en Kooyman in Nederland hebben aangetoond dat globaal genomen 1/3 van de cliënten die een TG- programma starten het einddoel bereiken en dat 80% daarvan, mits een goede nazorg, zich nadien maatschappelijk blijft handhaven. Als je deze cijfers benadert vanuit het perspectief van een “chronische aandoening” zoals drugverslaving, dan zijn dat bemoedigende cijfers. Wetenschappelijk onderzoek in 2001 in een aantal Belgische TG’s heeft bovendien aangetoond dat cliënten die onder juridische voorwaarden het programma volgen even goede resultaten behalen als cliënten die volledig vrijwillig participeren. Zij stellen vergelijkbare hulpvragen en hun gemiddelde retentie in het programma ligt even hoog.

Conclusie
$$L1
Therapeutische gemeenschappen blijven doorheen hun professionalisering een beleid voeren met groot respect voor de groeikracht van de verslaafde persoon en zijn natuurlijke lotgenoten. Het is een vorm van positionering voor waarden als (zelf)respect en solidariteit. Zorgverleners mogen de koppeling tussen therapie en maatschappelijke educatie en het waardendebat daarbinnen niet uit handen geven aan de meer extreme stromingen in de samenleving. Het democratisch herstelmodel van de therapeutische gemeenschappen is als positief antwoord op een groeiend maatschappelijk drugprobleem daarom relevanter dan ooit tevoren in een samenleving die velen als “verruwd” of “verzuurd” ervaren.