Dagcentrum De Sleutel in Brugge bestaat 15 jaar

Hoe is het dagcentrum in Brugge ontstaan?

Linda Doom: Dit kadert in de evolutie die we binnen De Sleutel meemaakten. We zijn destijds gestart vanuit een residentieel aanbod. Gaandeweg bleek dit echter niet meer voldoende te zijn en werd  het netwerk verder uitgebouwd. In 1992 zijn we gestart met een ambulante werking vanuit het idee dat we een gemakkelijker instap nodig hadden om de gebruiker te bereiken. Die drempel voor opname zorgde er immers voor dat steeds meer potentiële cliënten de weg naar de hulpverlening niet dreigden te vinden.

Sommigen betwijfelden of zo’n dagcentrum in Brugge wal nodig was? Maar onder meer vanuit justitiële hoek kregen we toen toch signalen dat er echt wel een drugproblematiek bestond. We wilden niet wachten tot die ook echt op straat zichtbaar werd. Bij de start beschikten we over heel beperkte financiële mogelijkheden. Wij zijn opgestart op basis van vrijwilligerswerk, in aanvang met een vijftal personen. We konden een pand innemen in de Kelkstraat, midden in het centrum van Brugge. Het eerste jaar was de leiding in handen van Guido Maertens en Magda Baukeland. Daarna werd ikzelf afdelingshoofd.

Na een jaar werking stapten we met onze cijfers naar het stadsbestuur. Op basis van het aantal aanmeldingen  konden we meteen duidelijk aantonen dat er een echte nood was aan een ambulante werking. Meteen daarna is eigenlijk de samenwerking met het stadsbestuur van Brugge begonnen. Even later begon ook Knokke ons dagcentrum mee te ondersteunen. Tegelijkertijd dienden we ons dossier in waarmee we hoopten op structurele personeelsubsidies via RIZIV.

En werd die erkenning snel goedgekeurd?

Linda Doom: Neen, zeker niet.  Die aanvraag is eigenlijk 3 jaar blijven hangen omdat we terechtkwamen in een RIZIV-moratorium. Nieuwe middelen konden dus niet worden toegekend. Die periode overbrugden we dankzij vrijwilligerswerk en met middelen van her en der. Zo kwamen er centen vrij door de creatie  van de veiligheidscontracten van het ministerie van Binnenlandse Zaken, gedetacheerd via het stadsbestuur. Op die manier konden we zowel op de hulpverlening als op preventievlak mensen inzetten.

Dankzij die RIZIV-erkenning na vier jaar werken, konden we echt van start gaan. We hadden ook het geluk dat het stadsbestuur van Brugge besliste dat we de middelen van de veiligheidscontracten konden behouden, op voorwaarde dat we meer initiatief zouden nemen inzake preventie. Sindsdien 1997 maakt preventie ook echt onderdeel uit van het aanbod van ons dagcentrum.

Rond die periode zijn jullie verhuisd naar de Barrièrestraat. Hoe belangrijk was dat voor de uitbouw?

Linda Doom: Heel belangrijk. Met ons uitgebreider team moesten we inderdaad uitkijken naar een ander pand. Door een samenloop van omstandigheden konden we in maart 1998 onze intrek nemen in het vroegere klooster in de Barrièrestraat hier. Op dat moment kreeg onze werking op verschillende vlakken serieuze impulsen. Het feit dat iedereen plots een eigen bureau en gespreksruimte had, zorgde voor een veel vlottere organisatie. Op dat moment konden we onze Groepswerking  echt vorm geven evenals de familiewerking. Die zelfhulpgroep is in die periode in aantal deelnemers verdubbeld. En sindsdien is dat ook een vaste groep gebleven onder leiding van dezelfde ouders. Vanaf dan werd onze ploeg ook versterkt met een arts, een psychiater,… waardoor we toen 19 mensen – los van de vrijwilligers – konden inzetten.  Momenteel zijn dat er 22.

Vandaag staat er een sterk team achter je. Hoe pak je dat aan als afdelingshoofd?

Linda Doom: Mijn belangrijkste investering na de verhuis lag bij mijn team. Ik concentreerde me echt sterk op de teamwerking en op het coachen van medewerkers, zowel individueel als in team. Het team bepaalt immers de kwaliteit van ons werk. Stabiliteit creëren was daarbij belangrijk. En dat probeerde ik door mijn mensen te coachen en op te leiden. Zo krijg je meer bagage in huis.  Tegelijkertijd trachtte ik onze inhoudelijke werking sterk uit te diepen en maakte ik er een prioriteit van om ons dagcentrum beter bekend te maken, bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bij Bijzonder Jeugdzorg,… Ik moest die potentiële partners overtuigen van de meerwaarde van ons dagcentrum. Eind jaren ’90 moesten we echt nog die nood bevestigen. Externen erop wijzen dat ons centrum nodig was. hen overtuigen van onze professionele manier van werken, onze kwaliteit. Naar mogelijke doorverwijzers opteerde ik daarvoor een heel open politiek: wie interesse had en heeft mag komen kennismaken of meedraaien. Op die manier wou ik duidelijk maken waar we mee bezig zijn en tegelijk het beeld van die zogenaamde gesloten drughulpverlening doorprikken. Uiteraard sloten we ook aan bij alle belangrijke overlegplatformen rond drugs

Het preventiewerk zet een belangrijke stempel op de werking in Brugge.  

Linda Doom: Dat klopt . We geven het preventiebeleid van Brugge mee vorm, in samenwerking met het drugoverlegplatform, voeren we het al jaren ook mee uit, we ontwikkelen onze eigen initiatieven. We hebben er altijd bewust voor gekozen ons te richten naar de druggebruiker zelf en zijn omgeving,  en naar mogelijke risicogroepen. Dan denk ik aan het Sleutelparcours waarmee we het voorbije jaar een 700-tal jongeren bereikten, aan de manier hoe we onze preventiewerkers inzetten,… Zij zijn echt verbonden aan onze ambulante werking, maken deel uit van ons team, ze werken ook letterlijk met de jongeren van het Mussennest, doen outreachwerk – dus echt gericht op de doelgroep.

Jullie vieren ook een beetje de verjaardag van ‘t Mussennest. Hoe is dat project ontstaan?

Linda Doom: We zochten reeds een tijdlang naar een mogelijkheid waardoor we beter konden inspelen op de problemen bij minderjarigen. We stelden immers vast dat we met de hulpverlening een deel van die jongeren amper bereikten, met name deze die in het deeltijds onderwijs zitten, en hun tewerkstelling niet of amper opnemen. We wilden deze doelgroep bereiken vooraleer ze in de hulpverlening terechtkomen. En dat wilden we doen via een kanaal dat hen ook aanspreekt. Niet via gesprekken met een hulpverlener,… Op die manier is vijf jaar geleden ons project Mussennest opgestart. We konden dankzij dat renovatieproject aan de slag met jongeren toegeleid via het deeltijds onderwijs uit de regio. Aan vroegdetectie en vroeginterventie doen dankzij de boerderij die we op onze achterliggende terreinen voorhanden hadden en konden verbouwen…. ‘t Mussennest is gegroeid als preventieproject. Maar tegelijk is er een directe link met de hulpverlening, voor als het nodig is en de tewerkstelling is het middel waarmee we onze jongeren bereiken

Hoe zie je dit project evolueren in de toekomst ?

Linda Doom: Het project met de jongeren zal na de renovatie van de kloosterboerderij zeker blijven bestaan. Toch vind ik dat de methodiek van de vroegdetectie en vroeginterventie verdere uitdieping vraagt. Dat moet onder meer kunnen via kennismaking met vergelijkbare andere projecten, informatie-uitwisseling. Ook de familiewerking moet nog beter uitgebouwd worden.  De ouders zijn immers een heel belangrijke partner. We stellen vast dat hoe nauwer we deze kunnen betrekken, hoe beter het resultaat is dat we boeken.

Een timing naar de afwerking wil ik bewust niet uitspreken. Dat we een strikte deadline hebben, is net de sterkte van het project. Het werken is niet het doel maar het middel. En dit gebeurt op het tempo van de jonge mensen. Dat werken is nodig. Onze focus ligt wel op de attitudeverandering. Maar wees gerust: ondertussen raakt het gebouw gerenoveerd . De Sociale Werkplaats kon in het afgewerkte gedeelte reeds haar intrek nemen.    

Op de bovenverdieping creëren we nu woongelegenheden voor cliënten. Daar is echt nood aan. We voorzien op die zorgboerderij wel een aanbod met een combinatie van wonen en werk. Concreet gaat het dan over arbeidszorg of meedraaien in groengerichte activiteiten binnen de sociale werkplaats. In de praktijk zullen wel op zoek gaan naar partners die daar reeds hun sporen verdiend hebben,. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Loca Labora.

Cijfers wijzen uit dat jullie met een heel jonge populatie werken?

Linda Doom: We werken inderdaad ook vaak met minderjarigen. Dat is eigenlijk altijd zo geweest. Daarom zijn we heel snel gestart met onze familiewerking. We kiezen er bewust voor om die werking steeds verder uit te bouwen om zo ouders en omgeving heel sterk in de begeleiding te betrekken.  

Het product cannabis is in onze setting ook altijd probleem nummer 1 geweest. Toch vind ik het belangrijk om tegen te spreken dat die hulpvragen een lichtere problematiek zouden betreffen. De laatste jaren zien we opvallend veel dubbel diagnose, heel wat moeilijke gezinssituaties. We kunnen onze cliënten met ons aanbod inzake aanmelding, oriëntatie en motivatie, ambulant vooruithelpen. Toch is de realiteit dat veel cliënten hier bij ons hun traject/verhaal niet afmaken. Ze moeten verder worden doorverwezen. We maken daarvoor gebruik van ons eigen netwerk, maar evengoed van het aanbod hier.  De samenwerking tussen de diverse spelers binnen de gespecialiseerde hulpverlening in onze regio verloopt heel goed. We maken duidelijk gebruik van elkaars aanbod, ook omdat het eerder complementair is.

Wat was je grootste ontgoocheling de voorbije 15 jaar?

Linda Doom: Op financieel vlak blijft de realiteit dat we, ondanks die 15 jaar, moeten blijven vechten om minimaal onze middelen te kunnen bestendigen. Eigenlijk zou men denken dat we ons daar geen zorgen meer moeten om maken…De hulpverlening wordt op dat vlak echt slecht bedeeld.

Je belangrijkste verwezenlijking?

Linda Doom: Het dagcentrum zoals het vandaag draait, met een team bestaande uit mensen die gemotiveerd samenwerken in het belang van de cliënt. Daar ben ik fier op. Alles is goed op elkaar afgestemd. Onze Riziv-erkenning destijds was daarvoor de echte aanzet. We kregen niet alleen op  stucturele basis  middelen. Het was ook een erkenning van de werking in de echte zin van het woord, ook door de partners in de regio. Een erkenning die het mogelijk maakte dat we ons 100 % concentreren op het werk met onze cliënten

Welke uitdagingen zie je voor de komende jaren?

Linda Doom: Mijn stokpaardje blijft de uitbouw van een veel ruimer aanbod in de Westhoek.  Ik wil echt een prioriteit maken van de uitbouw van de hulpverlening in Veurne. Onze beperkte antenne daar kan de grote nood en de zware problematiek in die regio niet aan. Hoe we dat concreet realiseren laat ik open. Ik zie ook nog groei via de uitbouw van onze tewerkstellingspijler. Zonder dergelijk aanbod stopt anders het traject dat we met onze cliënt afleggen, ergens halfweg.

Is het werk af?

Linda Doom: Zeker niet. We moeten blijven investeren. Ons product, ons werk met de cliënten, onder de aandacht houden zodat ons centrum hét aanmeldingspunt van de regio kan blijven. Daarvoor moet je keer op keer zeggen wat je doet, duidelijk maken waar onze drughulpverlening voor staat. Jaarlijks nemen we ook een initiatief waardoor we onze kwaliteiten in de verf kunnen zetten. De organisatie van ons groot kerstconcert  en de bekendmaking van dat evenement heeft dan ook als doel ons centrum bekend te maken bij groot publiek. Vorig jaar organiseerde ons centrum dan weer een provinciale contactdag voor alle stafmensen tewerkgesteld in de drughulpverlening. Daar was het de bedoeling de werkingen beter op elkaar af te stemmen, en te investeren in dat regionaal netwerk. Die open houding uit zich ook via het maandelijks overleg op directieniveau tussen die drugspecifieke settings. We pogen over heel wat zaken vooraf overleg te plegen en een gezamenlijk standpunt in te nemen.

Verder stel ik vast dat er blijvend aan een correcte beeldvorming moet gewerkt worden om in te gaan tegen de klassieke misvattingen over ‘de druggebruiker’. Er valt niets met die doelgroep aan te vangen, het zijn criminelen, ze zijn altijd ziek,… Dat is niet alleen een maatschappelijke opdracht, maar ook noodzakelijk om het pad te effenen voor partnerships. En daar is het altijd goed om een meerwaarde te vinden.

Samenwerkingsverbanden maken meer kans als er een win-win situaties is?

Linda Doom: Inderdaad. Maak potentiële partners duidelijk wat zij voor onze doelgroep kunnen betekenen, wat je eigen opdracht is, hoe die twee op elkaar kunnen aansluiten… Onze samenwerking met de crisisopvang van de thuislozenzorg illustreert dat mooi. De politiek was daar vroeger om geen druggebruikers op te nemen. Ze vonden dat ze die problemen niet goed konden hanteren, het was al te vaak misgelopen. Toch vonden we dat er meer ruimte nodig was voor crisisopvang. Dankzij ons aandringen, konden we hen overtuigen om hun beleid bij te sturen met de afspraak dat er vanuit ons centrum ondersteuning zou komen. We hebben toen opleiding voor hun team georganiseerd, de medewerkers van de crisisopvang zijn hier bij ons komen meedraaien, we maakten afspraken rond supervisie…

Het dagcentrum werkt nu ook samen met Cercle Brugge.

Linda Doom: Klopt. Cercle benaderde ons voor hun Community project. Dankzij die samenwerking breng  je via de sport twee groepen met elkaar in contact. Enerzijds helpt dat contact de beeldvorming rond gebruikers bijstellen. Anderzijds is het voor onze cliënten is  een meerwaarde omdat ze zich in hun zelfvertrouwen gesterkt voelen omdat dat die spelers interesse voor hen betonen, samen willen sporten. Zoiets werkt dus aan weerszijden.  Maar om terug te komen op het investeren in dat regionaal netwerk. Zo’n werk is nooit af.  Er blijven altijd heel wat potentiële partners over die een aanbod willen formuleren naar verslaafden toe. Ook algemene ziekenhuizen en de psychiatrie maker er werk van. Op termijn is ook daar een regelmatiger afstemming nodig, zowel op beleidsniveau als op cliëntniveau. Het zou mooi zijn mochten we er binnen nog eens 15 jaar in geslaagd zijn om ook daar echte partnerships te hebben. Het hoeft natuurlijk zo lang niet te duren. Als drughulpverlener leer je echter geduld te hebben en verder te bouwen op elke nuttige stap, hoe klein ook.

Bedankt voor dit gesprek

(december 2007)