Pakt onze maatschappij jonge drugsdelinquenten goed aan?

Waar zitten die drempels naar de hulpverlening?

Moeten we anders of sneller ingrijpen?

We confronteren enkele vaststellingen en vragen van Joris Cracco, afdelingshoofd van het Residentieel Kortdurend Jongerenprogramma, met de visie van Professor Lode Walgrave, een autoriteit inzake jeugdcriminaliteit. Hij tekende destijds o.m. het preventiekader uit waarbinnen de Centra Geestelijke Gezondheidszorg jarenlang gewerkt hebben. Hij heeft dan ook veel betekend voor de hulpverleners in Vlaanderen.

$$R4

De kranten overspoelen ons dagelijks met nieuws rond drugsdelicten. Is dit een toenemend probleem en hoe kijkt u naar het fenomeen van de jeugdcriminaliteit? Is er een verband met druggebruik?

Prof. Lode Walgrave: Er zijn geen bewijzen van dat het ene het andere veroorzaakt. En er bestaat  hierover ook zeer weinig onderzoek. Jeugdcriminaliteit heeft trouwens altijd bestaan en is statistisch bekeken een normaal fenomeen. De meeste jongeren plegen wel eens een feit. De meerderheid van hen komt nooit met de jeugdrechter in aanmerking. Onderzoek naar de evolutie van de jeugddelinquentie toont geen aanwijzingen dat minderjarigen de voorbije 40 jaar meer betrokken zouden zijn geraakt bij criminaliteit. Maar inderdaad, er is veel criminaliteit die we niet kennen. Het gebruik van drugs en dealen valt natuurlijk ook onder jeugdcriminaliteit.  Er is een kleine, harde kern die ernstige feiten pleegt en daar ook mee doorgaat op latere leeftijd. Maar eigenlijk zien we ook daar een daling, zeker vanaf de leeftijd van 20 jaar. Velen hebben dan een vaste partner, krijgen kinderen, hebben een job. Of, zoals een hooligan ooit zei: ‘We worden te lui’. Maar hun gebruik van drugs zal daarom nog niet dalen.

$$R2

Druggebruik maakt  bij een deel van de jongeren deel uit van hun lifestyle. Vroeginterventie kan dan toch niet hoog genoeg op de agenda staan. In onze afdeling voor minderjarigen krijgen we heel wat probleemjongeren binnen. Toch stellen we vast dat we achterop hinken. Voor de opvang van jongeren ontbreekt elk voortraject. Jongeren die gemotiveerd zijn om op vrijwillige basis hun drugprobleem aan te pakken, geraken op de een of andere manier amper bij ons  Hoe kunnen we de weg naar de hulpverlening beter georganiseerd krijgen? De straf lijkt minder ingrijpend dan de therapie.

Prof. Walgrave: Ik ben zelf tegen druggebruik. Ik heb zelf kinderen en kleinkinderen en hoop dat ze ervan afblijven. Toch stel ik me de vraag waarom we het gebruik van drugs bij minderjarigen gerechtelijk vervolgen. Mijn grondhypothese is dat de heksenjacht tot gevolg heeft dat het experimenteren met drugs en het druggebruik daardoor in het verborgene blijven en dus niet afdoende en niet tijdig kunnen worden aangepakt. En dat is niet goed. Gebruik moet ten allen tijde bespreekbaar blijven. En dat kan beter door de dreiging met gerechtelijke vervolging weg te nemen…

En wat met het beschermingsrecht van elke jongere?

Prof. Walgrave: Je moet opletten met zo’n uitspraak. ‘Recht op bescherming’ wordt in feite omgebogen tot een ‘plicht tot conformiteit’. Het huidige jeugdbeschermingsrecht is voor jonge delinquenten eigenlijk een hypocriet systeem. Daar wordt gezegd dat het feit dat de jongere heeft gepleegd niet de essentie is, maar dat men de jongere wil beschermen met maatregelen. Wij geloven dat niet en de rechters eigenlijk al evenmin. Veel jeugdrechters nemen maatregelen, plaatsen jongeren om hen “een lesje te leren”. Ze straffen hen eigenlijk zonder dat dit in de wet voorzien is.

Moet je jongeren beschermen tegen drugs? Ja, maar de dreiging met dwang en vrijheidsbeperking is daar een handicap in.  Dat een Comité Bijzondere Jeugdzorg zich bezighoudt met een problematische opvoedingssituatie, is goed. Dat de school dit opneemt, lijkt normaal,… Van het ogenblik dat het gerecht echter met een stok achter de deur optreedt,  riskeert de vrije medewerking weg te vallen. Eenmaal die vrije keuze er niet meer is, bouw je dus een grote handicap in. Er bestaat een fundamentele tegenstelling tussen gerecht en hulpverlening. Het gerecht werkt per definitie met dwang, hulpverlening is gebaseerd op vertrouwen. Hoe meer dwang, hoe moeilijker het vertrouwen. Wat niet wil zeggen dat het nooit lukt. En soms is dwang ook nodig, al was het maar vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en openbare orde. Maar dat vermindert wel je slaagkansen in de hulpverlening.

Als we dit in pedagogische context plaatsen, stellen we vast dat begrenzing onze jongeren de noodzakelijke veiligheid biedt. Maar dat praten kan evengoed tot in het oneindige doorgaan. Jongeren denken dan al gauw: ‘eigenlijk kan ik doen wat ik wil’. Zeker een weinig gemotiveerde jongere met een verslaving …

$$R3

Prof. Walgrave: Vooreerst wil ik ingaan op die pedagogische context en het geven van straffen. We weten dat het afschrikkingseffect daarvan zeer laag is. Een straf kàn pedagogisch op voorwaarde dat er een affectieve band is met de jongere. Eigenlijk wordt die band het belangrijkste middel tot gedragsbeïnvloeding. In de ideale situatie aanvaarden kinderen een straf van hun ouders omdat ze er diep in zichzelf wel van overtuigd zijn dat hun ouders het goed met hen voor hebben. Ze zullen het bestrafte gedrag in de toekomst laten, omdat ze de band met hun ouders niet op het spel willen zetten. Zelfs al vinden jongeren het optreden van hun ouders “in het heetst van de discussie” onrechtvaardig, dan nog zullen ze er niet helemaal tegenin gaan.

De impact van een straf hangt af van het type relatie. Het verschil tussen macht en gezag is cruciaal. Gezag is erkende macht. Een goede leerkracht krijgt gezag vanwege zijn leerlingen als hij het verdient. Goede ouders krijgen gezag van hun kinderen. Macht is iets wat je structureel hebt. Zelfs als je geen gezag krijgt, kan je de macht hebben om iemand een straf op te leggen. Straf door een gezagsvolle figuur kan effect hebben, omdat de boodschap die erachter steekt aanvaard wordt. Straf door een pure machtsfiguur –  zoals een jeugdrechter – werkt niet, omdat alleen de machtsuitoefening wordt gezien en niet de boodschap die ermee gegeven wordt. De leerpsychologie leert dat negatieve prikkels  pas werken als er een alternatief wordt aangeboden. En dat doet de jeugdrechter vaak niet.

Wat is de rol van preventie hierin?

Prof. Walgrave:  Dat brengt mij bij het tweede deel van jullie opmerking van daarnet: de verslaving. Als we het experimenteren met drugs wegduwen in de verborgen plekjes, omdat er een gerechtelijk taboe op berust, dan krijgen we te weinig zicht op dat experimenteergedrag en kunnen we dus veel minder preventief optreden. Preventie kan  zeer veel verslaving  helpen voorkomen. T.a.v. de kleine groep jongeren die toch helemaal verloren lopen en echt verslaafd geraken, stelt zich de ethische vraag of, en wanneer de overheid met dwang moet tussenkomen. En dan is mijn keuze: enkel als er feiten gepleegd worden, of als de samenleving ernstig bedreigd is. Zoniet dreigt de preventie zodanig uit te dijen dat fundamentele rechten en vrijheden – ook van minderjarigen – in het gedrang worden gebracht. Preventie is een prachtige gedachte, maar het is ook een delicaat begrip. Preventie is in feite onverzadigbaar en als je het de macht van de dwang toekent, kan het te ver gaan.

We zien bij de jongeren die we in behandeling krijgen vaak dat de ontwikkeling niet loopt zoals we dat bij een gewone adolescent zouden verwachten. Indien niet tijdig wordt tussengekomen, treedt het watervalsysteem binnen het onderwijs in werking en volgt veelal een negatieve cascade die uiteindelijk lijdt tot achterstelling. Kan men jongeren een individueel zelfbeschikkingsrecht geven?

Prof. Walgrave: Wat kwam er het eerst? Is het gebruik oorzaak van die achteruitgang, of zijn het jongeren die al wat in de problemen zitten die zich aan gebruik wagen? Ik denk het tweede. Zo’n jongeren voelen zich nergens op hun plaats, maar koesteren zich dan in een subcultuurtje, waarin drugs een plaats hebben. Dat gebruik is in sommige gevallen de manier waarmee de jongeren zich een identiteit aanmeten, waardoor deze zich beter gaan voelen.

Wat is uw advies in deze?

Prof Walgrave: We moeten het probleem bespreekbaar houden. Dit kan enkel indien men het “zwaard van Damocles” wegneemt. Druggebruik mag met andere woorden niet bestraft worden. Ik zou zelf nooit naar de politie stappen bij gebruik van minderjarigen in mijn omgeving. Je moet het als een gezondheidsrisico aanpakken, zoals roken, roekeloos rijden, ongedisciplineerd gedrag op school… Eenmaal je in de gerechtelijke molen geraakt, verlies je de greep. Jongeren die verslaafd dreigen te geraken moeten via de eerstelijnszorg geholpen worden. Maar er is nog steeds een te groot taboe.

Waarom vinden jeugdrechters onvoldoende de weg naar de drughulpverlening?

Prof Walgrave: Onderzoek wees in de jaren ‘70 al uit dat ook jongeren de weg naar de hulpverlening moeilijk vinden. Mijn hypothese was toen dat ze liever naar  Jongerenadviescentra (JAC) zouden gaan dan naar Centra Geestelijke Gezondheidszorg. Maar dat was niet zo. Jongeren bleken problemen ook eerder onder elkaar op te lossen of met ouders. Dat geldt vandaag nog steeds. Verwijzers worden nog te weinig gebruikt.

En wat met jongeren die ontsporen of geweld plegen?

Prof Walgrave: Men grijpt nu veel te snel naar de plaatsing in gesloten voorzieningen en gebruikt veel te weinig wat daarbuiten mogelijk is. Ik geef een voorbeeld van hetgeen ik zelf heb helpen opstarten … Bij herstelgericht groepsoverleg, afgekort “hergo”, moeten jonge daders zelf een oplossing aanbrengen voor de schade en het leed dat ze hebben veroorzaakt bij het slachtoffer of de gemeenschap. Op verwijzing van de jeugdrechter worden alle partijen rond de tafel gezet: dader, slachtoffer, familie, vrienden, politie. Als er een akkoord is over een voorstel wordt dit op papier gezet, door alle partijen ondertekend en aan de jeugdrechter voorgelegd.  Als de jeugdrechter akkoord gaat, wordt de overeenkomst uitgevoerd en opgevolgd. Loopt het dan toch nog fout, dan kan de rechter nog altijd beslissen om een andere maatregel te nemen. We weten dat dit systeem werkt. In Nieuw-Zeeland kan de jeugdrechter zelfs geen sanctie opleggen zonder dat zo’n overleg is geprobeerd. Ook bij ons is de”hergo”-aanpak in de nieuwe wet voorzien maar jeugdrechters maken er te weinig gebruik van. Ze kennen het systeem te weinig. De veldwerkers zien er de voordelen wel van in. Ook andere interessante mogelijkheden om plaatsingen te vermijden, worden nog te weinig gebruikt.

$$R1

 

We merken dat jongeren op eigen kracht de weg niet vinden naar de hulpverlening. De beste preventie blijft nog altijd de opvoeding. Jongeren staan echter meestal te veel onder invloed van hun peers die ook in het gebruikersmilieu vertoeven. Eigenaardig genoeg behalen we ook goede resultaten bij gedwongen opnamen.  

Prof. Walgrave : Er zou ook zoiets moeten zijn als een hulpverleningsgroepsoverleg, een “hugo”. Vooraleer iemand uit een hulpverleningsprogramma vertrekt, zou er steeds een duidelijk project moeten zijn voor de reïntegratie naar de maatschappij. Met duidelijke afspraken, die ook opgevolgd worden. En ook met duidelijke sancties indien de afspraken niet worden opgevolgd.

De jongeren weten dat dit niet echt wordt opgevolgd. Ze denken op heel korte termijn. Een intake in onze setting voor minderjarigen gebeurt trouwens reeds met alle partijen rond de tafel, volgens het hergo-principe. Wij zijn als RKJ hierin ook een neutrale factor. De jeugdrechter echter niet.

Prof. Walgrave: Er bestaan diverse goede losse initiatieven. Maar toch loopt er nog heel wat fout. Men grijpt te snel naar de gerechtelijke dwang. Als ze nodig is, moeten de rechtspraak en de uitvoering ervan veel sneller verlopen. De grote diversiteit van goede alternatieven moet veel meer worden gebruikt.

 Paul De Neve, december 2008