Pathways: een uniek aanbod in Vlaanderen

We hebben een gesprek met Dr Inez Vandenbussche die sinds 1980 als kinder- en jeugdpsychiater verbonden is aan het UZ Gasthuisberg te Leuven. Van 1993 tot 1995 werd zij door het UZ afgevaardigd naar de K-dienst van Tienen om de residentiële afdeling voor jongeren te runnen. Toen werd voor het eerst de beslissing genomen om ook jongeren met een drugproblematiek (naast de jeugdpsychiatrische problematiek) op te nemen en werd een eerste expertise in het werken met jongeren met een dubbele diagnose opgebouwd.

In 2001 werd de K-dienst Pathways opgericht, o.l.v. Dr. Vandenbussche en Mark Frederickx, met als doel de observatie en behandeling van jongeren met een dubbele diagnose. De ervaring leert immers dat drugmisbruik en -afhankelijkheid praktisch altijd gepaard gaan met een jeugdpsychiatrische problematiek. Ook psychologe Isabel D’hont is er komen bijzitten. Zij is therapiecoördinator bij Pathways.

Dr Inez Vandenbussche: Pathways werkt met een zeer moeilijke doelgroep. Jongeren met gedragsstoornissen, posttraumatische stress-stoornissen, reactieve hechtingsstoornissen. Veel jongeren hebben in gemeenschapsinstellingen gezeten,…

De broeders Alexianen hebben reeds lang een sterke reputatie als psychiatrische kliniek. Hoe is de werking van Pathways ontstaan?

Inez Vandenbussche: Dr Ansoms ijverde voor een aparte K-dienst voor de observatie en de behandeling van jongeren met ernstige drugproblemen en hij ligt dan ook aan de basis van de oprichting van Pathways. Dr. Ansoms, die aan het hoofd stond van de afdeling Ter Dennen voor volwassenen met een verslavingsproblematiek, was een voorloper in het betrekken van de context bij de behandeling van zijn patiënten. Hij organiseerde groepstherapieën voor de partners, voor de kinderen en organiseerde ook terugkomdagen als hervalpreventie.

Inez Vandenbussche en Isabelle d’Hont: Dr. Ansoms heeft Pathways ook geïnspireerd bij het ontwikkelen van een duidelijke visie over druggebruikende jongeren. De traditie van het werken met de context wordt op Pathways verdergezet en sluit perfect aan bij de systeemgeoriënteerde visie op observatie en behandeling.  

De werking voor minderjarigen is opgestart in juli 2001. Was het een proces van vallen en opstaan?

Inez Vandenbussche: Eigenlijk niet. Maar het klopt dat er in het ziekenhuis aanvankelijk een zekere weerstand bestond tegenover het oprichten van Pathways. Men vreesde problemen op de campus van de kliniek. Uiteindelijk moest iedereen vaststellen dat onze jongeren geen overlast veroorzaken. Het team heeft zich de visie van het werken met jongeren eigen gemaakt en al de aspecten van de werking zijn uitgedacht vanuit deze visie. Bij de contacten met de jongeren, de ouders en de hulpverlening is onze visie telkens onze leidraad. Het feit dat er weinig problemen zijn is ook te danken aan het feit dat we met een competent en stabiel team werken. Er wordt veel aandacht besteed aan interne vorming en opleiding en de ‘anciens’ geven hun ervaring door aan de ‘nieuwkomers’.

Een van sterke punten van Pathways is de ouderwerking. Naast de wekelijkse gezinsgesprekken worden er om 14 dagen oudervergaderingen georganiseerd. Daarenboven blijkt het organiseren van een goede nazorg belangrijk voor het slagen van een behandeling. We merken vaak dat de overgang na ontslag te groot is en onvoldoende kan opgevangen worden via een ambulante nazorg. Daarom besteden ook veel aandacht aan een zinvol schoolaanbod voor onze jongeren.

Hoe pakken jullie de verslaving aan?

Inez Vandenbussche: Onze visie op verslaving is steeds blijven evolueren en we proberen telkens een afdoend antwoord te bedenken op de problemen waarmee we geconfronteerd worden. Drugmisbruik en afhankelijkheid zijn een complex en chronisch probleem en onze jongeren stellen ons steeds voor nieuwe uitdagingen. De combinatie met een jeugdpsychiatrische problematiek en de wisselwerking tussen beide verhoogt nog de moeilijkheidsgraad. Vanuit onze visie kiezen we ervoor om met beide problematieken tegelijkertijd aan de slag te gaan. Ernstig druggebruik maakt dat jongeren stilstaan in hun ontwikkeling en ook deze ontwikkelingsachterstand moet ingehaald worden tijdens de behandeling.

De vraag wat er het eerst was: het drugprobleem of het psychiatrisch probleem –  de kip of het ei – , leggen jullie opzij?

Inez Vandenbussche: Inderdaad. We kiezen resoluut voor een 2-sporen beleid en richten ons in de observatie en behandeling op beide diagnoses en op de entiteit die door beide diagnoses gevormd wordt. De werking van de afdeling wordt hierdoor bepaald. De specifieke drugswerking van de afdeling loopt parallel met de jeugdpsychiatrische behandeling, zoals we die ook kennen op andere K-diensten. Onze jongeren beseffen vaak niet dat stoppen met gebruik niet voldoende is en zij moeten gemotiveerd worden om ook te werken aan de andere problemen en aan het inhalen van hun ontwikkelingsachterstand.

Hoe gebeurt dit in de praktijk?

Inez Vandenbussche: Hier wordt veel belang gehecht aan de opbouw van een therapeutische relatie met de jongere. De groepsleiding is daarin heel belangrijk. Zij zijn immers het meest aanwezig bij hen. Via positieve investering proberen we reflectie en groei te stimuleren binnen een veilig klimaat. Reflectie stimuleren we o.m. via schrijfopdrachten. ‘Wat vind jij dat wij over jou moeten weten om je te kunnen helpen?’  is zo’n voorbeeld van een opdracht waarmee we de jongere ook voor zijn eigen verantwoordelijkheid willen plaatsen.

Isabel D’hont: We geven tevens schrijfopdrachten rond gevoelens. Waarom ze kwaad zijn of blij… Elke jongere krijgt een boekje en dit wordt met zorg bijgehouden. Schrijven is belangrijk omdat het de jongere confronteert met zichzelf. De jongere leest en herleest de eigen schriftjes en kan zo de evolutie volgen die hij of zij doormaakt.

 

 

$$1 Dr Vandenbussche (links op de foto): ‘We streven naar nultolerentie inzake gebruik. Bij Pathways trachten we  druggebruik in te passen in het motivatie- en therapeutisch proces van de jongere. We proberen hen te laten leren uit hun misstappen’.

 

 

Inez Vandenbussche en Isabelle d’Hont: Een druggebruiker is in de eerste plaats gericht op leeftijdsgenoten, op vrienden. Men is gevoelig voor negatieve beïnvloeding. We leren onze jongeren om alleen te kunnen zijn en proberen hen te stimuleren om elkaar in goede zin te beïnvloeden. Om hen door moeilijke gevoelens heen te helpen, leren we hun om te spreken met steunfiguren, in plaats van drugs te nemen. Hiervoor moet er eerst een herstel van het vertrouwen in de volwassenen gebeuren, want het beeld dat zij hebben van volwassenen is doorgaans negatief. Het is niet evident om de kloof te dichten. Dit kan enkel gebeuren via een positieve investering van het team, via het opbouwen van een therapeutische relatie vanuit betrokkenheid.

Hoe ziet een dag eruit voor de jongere?

Inez Vandenbussche: Er is een vaste structuur in het behandelprogramma dat gegroeid is vanuit  de kinder- en de jeugdpsychiatrie en vanuit de orthopedagogie.

Isabel D’hont: We werken met twee leefgroepen van 8 jongeren en hebben 2 begeleiders per leefgroep. Het leven hier is onderworpen aan duidelijke basisregels, die gebaseerd zijn op orthopedagogische principes. We proberen de regels zo zinvol mogelijk te maken. Zo hebben we regels rond respect voor jezelf, rond respect voor anderen, voor het team en voor de leefgroep. Ook rond druggebruik is er een duidelijk reglement. Overdag voorzien we veel therapieën, school en activiteiten zoals sport, individueel of in groep. Soms gaan we buiten de campus, bijvoorbeeld op uitstap naar tentoonstellingen, om de jongeren te laten kennis maken met andere ervaringen en andere emoties.

Inez Vandenbussche: Mede dankzij de omkadering hier op de ziekenhuiscampus kunnen we de jongeren een ruim aanbod geven. Psychomotoriek, ergotherapie, muziektherapie en de school maken deel uit van het dagelijkse aanbod. Daarnaast wordt er gewerkt rond sociale vaardigheden, er is groepspsychotherpie, veel jongeren krijgen een individuele therapie. Ons specifiek drugprogramma op woensdagen en onze drugsdebatten hebben een belangrijke psycho-educatieve en therapeutische functie. Daarin hebben we het over de effecten van druggebruik op het leven van de jongeren. Hierbij komt de jongere zelf, maar ook zijn gezin, de school en de vrijetijdsbesteding aan bod.

Hoe lang duurt een opname?

Inez Vandenbussche: Gemiddeld 6 maanden. Ons programma is opgedeeld in verschillende fasen. De observatie gebeurt in de eerste 8 weken, tijdens deze fase wordt ook intensief gewerkt rond het motiveren van de jongere. Daarna volgt de eigenlijke behandeling en wordt er gericht gewerkt aan verandering. Elke verlenging met 2 maanden wordt uitgebreid besproken met de jongere zelf en met zijn ouders. Omdat we weten dat de behandeling een drugproblematiek complex en moeilijk is krijgt de jongere een tweede kans en gaan we gemakkelijk over tot heropname.

Isabel D’hont: In principe mag elke jongere vanaf het tweede weekend naar huis, omdat we het contact met het thuismilieu belangrijk vinden.

Jullie setting is niet helemaal drugvrij?

Inez Vandenbussche: Klopt. Maar we streven naar nultolerantie. We weten dat de verslaving een chronisch probleem is en hebben voldoende realiteitszin om te weten dat dit niet snel kan opgelost worden.Vergelijk het met een depressieve patiënt, als deze begint te wenen ga je de behandeling toch ook niet stopzetten. De jongeren zijn aanvankelijk ook niet echt gemotiveerd om te stoppen met gebruik. Het is aan ons om hen geleidelijk aan te motiveren en we proberen het druggebruik tijdens de weekends en ook op de afdeling in te passen in hun motivatieproces en in hun therapeutisch proces. We proberen hen te laten leren uit hun ‘misstappen’.

Isabel D’hont: Jongeren die op zondag binnenkomen worden goed gecontroleerd zodat ze moeilijk iets kunnen binnenbrengen. Ons team is er ook goed op geoefend om te zien wie gebruikt heeft. We leren aan de jongeren om ook hier hun verantwoordelijkheid te nemen. Door die sociale controle wordt gebruik ons vaak spontaan gemeld. Het weekend nadien mag de jongeren dan in principe niet naar huis. Als het week op week gebeurt, worden andere maatregelen genomen, bijvoorbeeld een time-out.

Inez Vandenbussche: Wie gebruikt heeft, krijgt ook steeds kamerarrest en participeert dus niet aan het programma. De jongere zal ook in groep besproken worden en ter verantwoording worden geroepen. We motiveren onze jongeren maximaal om te stoppen met gebruik. We proberen echter de verantwoordelijkheden duidelijk af te bakenen. Het team is verantwoordelijk om de jongeren optimale kansen te bieden om te kunnen stoppen. Het is echter de verantwoordelijkheid van de jongere zelf om de beslissing te nemen om te stoppen.

Hoe ziet jullie schoolse aanbod er uit?

Dr. Inez Vandenbussche: Doordat we een K-dienst binnen een ziekenhuis zijn (een afdeling die ook niet vrij kan bezocht of verlaten worden nvdr), hebben we hiervoor een apart budget. Concreet hebben we 2 deeltijdse leerkrachten die elke dag 1 à 2 uur les geven, alle leeftijden door elkaar. Het zijn geen ‘typische’ leerkrachten, maar enthousiaste teamleden die heel gemakkelijk respect afdwingen bij de jongeren. De meeste jongeren hebben een grote schoolse achterstand.  Ze krijgen hier vooral de hoofdvakken. En dat systeem werkt. Verschillende jongeren halen hier hun A-attest. Tijdens de examenperiode zit iedereen hier ook samen tot ’s avonds laat te studeren.

Nazorg is heel belangrijk om herval te voorkomen. Hoe verloopt dit?

Inez Vandenbussche:  Nog niet echt goed. Idealiter zouden we over een eigen outreaching team moeten kunnen beschikken, in combinatie met een goed uitgebouwde ambulante zorg. Ook de schoolse reïntegratie moet nauwkeurig opgevolgd worden, hiervoor kunnen ontslagen jongeren op woensdagnamiddag op Pathways terecht. We zien dat de Centra Geestelijke Gezondheid onvoldoende vertrouwd zijn met de problematiek van druggebruikende jongeren en dat ze de opvolging en ondersteuning die deze jongeren nodig hebben, onvoldoende onderkennen. Zeker als er geen goede familiale omkadering is, vormt de opvolging van deze jongeren vaak een probleem. Dat moeten we in de toekomst beter aanpakken.