Selectieve en geïndiceerde preventie in het netwerk van De Sleutel

De meeste drugpreventieprogramma’s zijn mainstream en kunnen zo grote groepen bereiken. Ze zijn wat in het vakjargon genoemd wordt universele preventie:  voor alle leerlingen van de school, alle jongeren in de jeugdbeweging, alle bewoners van de stad.

2008-03-05 Amazon 6

Daarnaast is ook selectieve preventie nodig: voor kwetsbare groepen. Kinderen, jongeren of volwassenen die extra risico’s lopen. Ten derde dienen we ook aan geïndiceerde preventie te werken: voor kwetsbare individuen bij wie we individuele indicaties zien dat hij of zij meer risico loopt dan een ander om later problemen met legale of illegale drugs te ontwikkelen.

De grotere aandacht die De Sleutel geeft aan deze kwetsbare groepen en individuen betekent een nieuw werkterrein voor de afdeling preventie, maar ook voor het hele netwerk met hulpverleners en de organisaties rondom ons. We geven u enkele praktijkvoorbeelden van dit werkterrein.

RECCER, veerkracht vergroten voor GES-jongeren als geïndiceerde preventie

Een risicogroep voor drugproblemen werd in 2008 door een onderzoek van de Gentse criminologe prof. Freya Vander Laenen[1] in het voetlicht gezet: Jongeren met een gedrags- en emotionele stoornis (GES). Zij toonde in haar doctoraatsstudie helder de tekortkomingen van bestaande strategieën aan, maar gaf ook indicaties van hoe het wel kan.

De bestaande programma’s van sociale beïnvloeding zijn niet aangepast aan deze groep. Je kunt niet met “actief luisteren”, “geven van een ik-boodschap” of een stappenplannen voor conflicthantering afkomen met jongeren die al de grootste moeite hebben om gewoon mee te stappen in een groep. De preventiespecialisten moeten het zelf ook toegeven: aan deze groep hebben we tot voor kort te weinig specifieke preventieve aandacht gegeven. CAT-Gent, De Sleutel, vier Gentse Rotary Clubs en de provincie Oost-Vlaanderen sloegen de handen in elkaar voor een project dat de naam kreeg Reccer. Wie een beetje Gents kent hoort daar een elastiekje in, maar het woord refereert naar Resilience Coaching: veerkracht vergroten.  Jongeren met gedrags- en emotionele stoornissen komen bijna zonder uitzondering  uit een omgeving, of hebben een geschiedenis, die bijzondere eisen stelt aan hun draagkracht.  Via dit project stimuleren we factoren die in de wetenschappelijke literatuur als veerkrachtverhogend worden beschreven.  Steeds meer blijkt dat deze factoren een grote preventieve waarde hebben op vlak van druggerelateerde problemen. 

Participatie is een bijzonder aandachtspunt in het Reccerproject: als de uitgangssituatie is dat jongeren geen voeling hebben met wat we in het verleden aanboden, moeten we dichter bij hen gaan staan om iets nieuws uit te werken. Heel vroeg in de ontwerpfase vroegen we aan de GES-jongeren uit enkele instellingen wat hen zou aanspreken en vooruithelpen. Reflecties zoals ‘het moet ervoor zorgen dat ik minder impulsief reageer’ of ‘het moet me leren met de anderen mee te doen’ waren hier aan de orde. Gaandeweg kreeg het project de vorm van een spel, een game. Coördinator Etienne Janssens zorgt ervoor dat de structuur voldoet aan de vereisten van de flowtheorie: een game heeft maar succes als de speler een keuze kan maken, klare doelstellingen heeft, feedback krijgt over wat hij aan het doen is en heel geconcentreerd het spel kan spelen. Dat zijn vereisten die, zo bevestigen de opvoeders van de betrokken instellingen, precies overeenkomen met de noden van hun jongeren. In de stuurgroepvergaderingen van dit project worden we geïntroduceerd in het jargon van quests, avatars en warriors. In oktober 2009 beginnen de eerste tryouts in OC Sint Jozef, OBC De Waai en OOBC[2] Nieuwe Vaart. De activiteiten, spelvormen en trainingen lopen over vijf weken, er is een beloning voor de leefgroep aan verbonden en van het geheel wordt vastgelegd op een DVD. Freya Vander Laenen zorgt dat het project adequaat geëvalueerd wordt in deze eerste reeks try-outs evenals in de tweede reeks van februari 2010. Het halen van de einddoelstelling ‘preventie beter doen aansluiten bij de GES-jongeren’ zal maar lukken als de methodieken overdraagbaar zijn naar de opvoeders in de betrokken instellingen, dus ook die transfert krijgt aandacht in het project.

Werken met paarden

Een interessante methodiek die drie jaar lang in het brugproject ‘Mussennest’ gehanteerd werd is de equine assisted psychotherapy. ‘Equine’ verwijst naar iets in verband met paarden. De jongeren in het Mussennest, uit het Brugse deeltijds onderwijs en met druggerelateerde problemen, gingen regelmatig voor een middagsessie in groep naar de vzw AMAZON[3], waar ze met paarden werkten. Het verschil tussen EAP en hippotherapie is dat je niet op het paard rijdt. EAP heeft alles te maken met individueel en in (kleine) groep met een paard werken. Preventiewerker Tom Vanhoutte van het Dagcentrum Brugge heeft in de drie jaar dat hij met deze methodiek werkt nog geen enkele keer frustratie weten bovenkomen omdat je niet op het paard rijdt. Een beetje verbaasde blikken in het begin, maar dat gaat vlug voorbij. Erg belangrijk is dat het paard je gevoelens spiegelt. Meer zelfs nog dan dat: het paard spiegelt je gedrag en onderlinge relaties. Terwijl een paardencoach zich om het paard bekommert, helpt een mental coach je die spiegels te zien. Ook in een gezinssessie, waar je bij voorbeeld met je ouders, broer en zus samen probeert het paard naar een bepaalde plek te leiden.

2008-03-12 Amazon6

 

 

 

 

Op de website van EAGALA[4], waar preventiewerker Tom Vanhoutte van het dagcentrum Brugge een training begeleider volgde, lezen we hoe Winston Churchill dat mooi heeft samengevat: “There is something on the outside of a horse, that is good for the inside of a man”. De methodiek van het groundbased werken met paarden nemen we verder op in het programma van vroeginterventie dat we in Brugge uitwerken. De nonverbale en fysieke elementen van de werkvormen, de mogelijkheden om in groep, individueel en met familie te werken, het oplossingsgerichte aspect en vooral het actieve aan de methodiek zijn elementen die in vroeginterventie van groot belang zijn.

Preventie in de dagcentra

In bijgaande link kan u lezen hoe we binnen onze organisatie de terminologie vroegdetectie, vroeginterventie en kortinterventie scherp stellen. Het is niet verwonderlijk dat ook tussen preventie en deze drie begrippen een grijze zone ligt waar een duidelijker onderscheid meer helderheid zou scheppen. Onze dagcentra in Mechelen, Antwerpen, Brussel, Antwerpen, Brugge en de daarbij horende antennes krijgen meer en meer de vraag om iets preventiefs uit te werken voor jongeren. Of het echt over preventie gaat (het individuele drugprobleem is er nog niet) of interventie (er is een beginnend of onbekend probleem) is vaak helemaal niet duidelijk. Die grijze zone bestaat bij de individuele jongere natuurlijk ook: de probleemwording gaat over een zekere periode. Het interview met de Europese expert Gregor Burkhart levert enkele goede voorbeelden van typische projecten voor risicogroepen (selectieve preventie) of voor individuen waar indicaties van latere problemen opduiken (geïndiceerde preventie). Sommige acties in onze dagcentra horen bij deze twee types preventie.

touwenparcours

 

Onze dagcentra krijgen steeds meer de vraag om iets preventiefs uit te werken voor jongeren

Zo hebben we medewerkers die aan outreach doen in ontmoetingsplaatsen van jongeren. Daar hebben ze contact met cliënten of potentiële cliënten van de begeleiders van het dagcentrum, maar ook met jonge mensen die geen drugs gebruiken of geen verslavingsprobleem ontwikkeld hebben. Aan dagcentra wordt vaak gevraagd om informatie over drugs te geven in scholen, de meeste vragen worden naar een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg doorverwezen of naar de centrale preventieafdeling van De Sleutel gesluisd. Medewerkers uit dagcentra geven opleiding of ondersteuning aan instellingen in de jeugdzorg over het omgaan met druggebruikers. Ook impliciet gebeurt dit, bij voorbeeld in een overleg met CLB of begeleiders van een leefgroep. In preventie voor risicogroepen is het trainen van de omgeving van de doelgroep (opvoeders, leerkrachten of ouders) een onderwerp dat systematisch terugkomt in effectieve strategieën. Daarom zullen we dit deel van het werk meer met methodieken en evaluatie moeten ondersteunen.

Kinderen van verslaafde ouders horen tot een specifieke risicogroep voor verslaving. Begeleiders van het dagcentrum geven tips en tools aan hun cliënten over opvoeding. Dat werkt zonder twijfel preventief naar de kinderen. In teambesprekingen is het gemeengoed dat men er in situaties waar de moeder of vader in behandeling is, alert moet voor zijn dat het belang van het kind centraal staat. Een ingreep naar de moeder toe heeft bijna altijd een weerslag op de relatie met het kind. Gelukkig kunnen we in deze thematiek samenwerken met de organisatie Bubbels en Babbels in Antwerpen. Europees kunnen we een beroep doen op het netwerk ENCARE om voorbeelden van goede praktijk in andere landen uit te wisselen.

Minderjarige cliënten die zich aanmelden in de dagcentra worden gescreend aan de hand van een uitgebreid gestandaardiseerd interview: ADAD. Daarin geeft de begeleider voor alcohol- en druggebruik een ernstscore. Die gaat van 0 (geen behandeling nodig) tot 9 (behandeling noodzakelijk). Scores van 0 tot en met 3 houden in dat men het alcohol- of drugprobleem hooguit als een klein probleem beschouwt waarbij behandeling niet of waarschijnlijk niet nodig wordt geacht. In de praktijk komt er vaak een andere problematiek dan verslaving aan het licht in de gesprekken van deze oriëntatiefase. Leerproblemen bijvoorbeeld, obesitas, gedragsproblemen. Het levert interessante gegevens aan voor de verwijzer die de jongere naar De Sleutel stuurde: in veel gevallen het CLB, het Centrum voor Deeltijds Onderwijs of de Bijzondere Jeugdzorg. Maar ook voor de jongere zelf is het in één tot vier gesprekken samen overlopen en bespreken van de vragenlijst die over verschillende aspecten van zijn leven gaan, een belangrijke reflectie. Het is niet zo verwonderlijk dat er meer over andere aspecten te praten valt dan over het druggebruik, en precies dat doet voor sommige jongeren een belletje rinkelen, als eerste stap naar gedragsverandering. In deze situaties komt dus weer de grijze zone tussen preventie en vroeginterventie te voorschijn. Om met onze medewerkers in de dagcentra tot een gestandaardiseerd en evidence based ingrijpen te komen dienen we een goed onderscheid te kunnen maken.

Peer van der Kreeft, september 2009


 

[1] http://www.ggzcongres.be/ggzcongres2008_M13.2_vanderlaenen.pdf ; http://www.jeugdonderzoeksplatform.be/edoc/e1000/e00597.pdf

[2] Orthopedagogisch Centrum, Observatie- en BehandelingsCentrum, Orthopedagogisch Observatie- en BehandelingsCentrum

[3] http://www.amazononline.be/

[4] http://www.eagala.org/