Vroeginterventie in het Dagcentrum De Sleutel Brugge

Historiek.

Het Dagcentrum De Sleutel Brugge werd van bij de opstart in 1992 geconfronteerd met een ruim aantal aanmeldingen van minderjarigen met een drugprobleem.  Het behandelaanbod werd hier op afgestemd. Zo is o.m. het werken met de context in het totale aanbod van het dagcentrum een expliciete keuze. Gaandeweg groeide de bekommernis om voor de groep van minderjarigen met risico op het ontwikkelen van middelenmisbruik een aanbod te formuleren dat de nood aan behandeling kon voorkomen of de instap in een behandelaanbod kon faciliteren.   

 IMG_8408_web1Linda Doom, afdelingshoofd Dagcentrum De Sleutel Brugge

In september 2001 ging het dagcentrum van start met een preventieproject m.n. ’t Mussennest gericht op jongeren uit het Deeltijds Beroepsonderwijs, een bewezen en ook in het dagcentrum vastgestelde risicogroep.  De opportuniteit van een te verbouwen boerderij op het terrein van het dagcentrum en een financiering als brugproject vanuit het ministerie van onderwijs lieten toe tewerkstelling te creëren voor een groep minderjarigen.  Tewerkstelling was niet het doel maar het middel dat  aangewend werd om intensief te werken rond leefvaardigheden om op deze wijze de kans op slagen zowel in het reguliere arbeidscircuit als algemeen maatschappelijk voor deze minderjarigen aanzienlijk te verhogen.  Vroegdetectie van middelenmisbruik en een onmiddellijke link met de behandeling indien aangewezen was de toegevoegde waarde vanuit de setting van het dagcentrum aan het brugproject.

Eind vorig schooljaar  werd dit project gestopt wegens financieel onhoudbaar. De verworven expertise wordt nu dus toegepast in het project vroeginterventie.

Samenwerking  groep Intro.

Binnen het Deeltijds Beroepsonderwijs deed zich de laatste jaren een belangrijke evolutie voor.  Waar er tien jaar terug enkel brugprojecten waren als aanbod voor die minderjarigen die geen aansluiting vonden op de reguliere arbeidsmarkt, ontstonden de voortrajecten als voorbereiding op de brugprojecten en de Persoonlijke OntwikkelingsTrajecten (POT) voor die jongeren die als gevolg van diverse individuele problematieken zelfs in de voortrajecten nog geen aansluiting vinden. In deze laatste groep stellen we een concentratie vast van minderjarigen met risico op het ontwikkelen van problematisch middelengebruik. 

Nadat Groep Intro, de aanbieder van POT in de context van het deeltijds onderwijs, aangaf  dat het druggebruik van een aantal minderjarigen hun werking sterk bemoeilijkt, werd gestart met een nauwe samenwerking met het dagcentrum.

Er zijn drie doelstellingen:

Via praktische opdrachten leren we jongeren zicht krijgen op hun eigen gebruik en toekomstperspectief

 toekomstperspectief

 

 

 

 

 

 

 

 

 

o       Weerbaarheid vergroten: de deelnemer verwerft of versterkt een basis van persoonlijke en sociale vaardigheden m.n. beslissingsvermogen, probleemoplossend vermogen, kritisch denken, alternatieven stellen, een positief zelfbeeld vormen, communicatie- en relatiecompetenties, omgaan met negatieve gevoelens, nadenken over waarden.  De deelnemer verscherpt specifiek zijn/haar resiliëntievermogen: veerkracht in kwetsbare omstandigheden en een milieu met weinig ondersteuning van sociale vaardigheden.  Hij /zij kan het transfereren naar de eigen leefomgeving.  De deelnemer probeert uit en oefent binnen de beschermde interactieve werkvormen hoe hij/zij sociale invloed constructief kan hanteren als peer-to-peer instrument.

o       Bewust worden van risicogedrag: de deelnemer kan zijn/haar druggerelateerd gedrag benoemen en in kaart brengen in functie van de risico-inschatting.  De deelnemer krijgt de resultaten van een screening op druggerelateerd risicogedrag op een begrijpelijke manier teruggekoppeld. De deelnemer kan de ernst en de impact van zijn/haar risicogedrag differentiëren en onderscheid maken tussen wat hij/zij zelf aanpakt en waar hij/zij steun voor vraagt.

o       Empowerment van de context: de deelnemer en de ouders krijgen de resultaten van een screening op de opvoedingscompetentie van de context op een begrijpelijke manier teruggekoppeld.  De opvoedingscompetentie van de ouders wordt versterkt met instrumenten om de sociale vaardigheden van hun kind te vergroten. De intensiteit waarmee de ouders betrokken worden, wordt in balans gebracht met de eventuele weerstand van de jongere hiertegen.

De doelgroep van jongeren met een Persoonlijk OntwikkelingsTraject (POT) kan verruimd worden naar jongeren die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (1). Als context beschouwen we niet alleen de ouders maar ook de begeleiders van POT. Het is voor de jongere niet gemakkelijk om met zijn/haar veranderde attitudes en gedrag terug te keren naar de oude context van POT met (een deel van) hun oude vrienden, peers en in functie van behoud van de gerealiseerde verandering is verdere ondersteuning door de begeleiders POT noodzakelijk. Het is wel de bedoeling dat jongeren tussentijds met het geleerde aan de slag gaan in hun dagelijkse leven en dit terugkoppelen in de groep. 

We weten dat een vroeginterventieaanbod goed afgebakend moet zijn binnen een beperkt tijdsperspectief. Uit ervaring weten we ook dat jongeren in een POT  zelfs met externe druk gemiddeld slechts de helft van de tijd aanwezig zijn. Ze hebben in veel gevallen geen constructieve, ondersteunende omgeving waar ze dagelijks met het geleerde kunnen oefenen. 

Het vroeginterventieprogramma in Brugge opteerde daarom voor een intensief uitgewerkt programma over gemiddeld tien weken met een groepswerking van 15 uur per week verspreid over drie dagen. Daarnaast worden voor elke jongere nog individuele en gezinsgesprekken voorzien. Op deze wijze moet het programma er in slagen om de jongeren voldoende te bereiken om impact te kunnen hebben en wordt ook een omgeving gecreëerd waarin jongeren met het geleerde aan de slag kunnen gaan en hier in groep en individueel feedback kunnen krijgen. 

vipardennen_tekst_linda

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Essentieel is een gedegen screening (2) in functie van vroegdetectie met een terugkoppeling naar de gescreende persoon. Deze terugkoppeling naar de jongere gebeurt door de begeleiders van POT.  Vanuit hun context hebben zij  reeds een band met de jongere. Dit geeft hen meer mandaat zeker ook met het oog op het eventueel nog te realiseren  vervolgtraject.

Essentieel is tevens dat zo veel mogelijk personen die aan de criteria voldoen ontdekt worden en dat zo weinig mogelijk personen die niet beantwoorden aan de criteria ten onrechte als mogelijks problematisch gelabeld worden.  Dus pas wanneer uit de screening blijkt dat het voor een jongere aangewezen is om een begeleiding op te starten met specifieke aandacht voor alcohol- en ander druggebruik, wordt deze jongere door de begeleider POT voorgesteld op een oriëntatieoverleg (3) met de klinisch coördinator van het dagcentrum. In dit oriëntatieoverleg wordt een vervolgtraject voor de jongere uitgezet en dit kan of een instap in het project vroeginterventie, of een ambulante behandeling in het dagcentrum of een residentiële behandeling binnen de drughulpverlening zijn.  Dit advies wordt door de begeleider POT naar de betreffende jongere en zijn/haar context terugkoppeld en bij akkoord wordt vervolg geregeld met ondersteuning van de klinisch coördinator van het dagcentrum.

Het programma wordt gedragen door  medewerkers van het dagcentrum mét de begeleiders van POT die blijven instaan voor de individuele gesprekken met elke toegeleide jongere.  Deze betrokkenheid moet er voor zorgen dat bij afronding van het project en terugkeer naar POT de jongere met het geleerde verder aan de slag kan in POT wat daar moet resulteren in een beter functioneren en dus grotere kans op het realiseren van de doelstelling van POT: met name de jongere uiteindelijk opnieuw aansluiting te laten vinden bij onderwijs/tewerkstelling.  De begeleiders POT worden ook in de gezinswerking betrokken en participeren aan het wekelijks teamoverleg met de klinisch coördinator van het dagcentrum i.f.v. evaluatie en bijsturing van het traject van elke jongere in het project.  Aangezien jongeren naar POT toegeleid worden via de school zijn vaak ook de CLB-medewerkers reeds betrokken actor, niet zelden worden ook het Comité Bijzondere Jeugdzorg of de Jeugdrechtbank ingeschakeld.  Deze en mogelijks  nog andere actoren worden bij monde van de POT medewerker of in persoon in het overleg betrokken.

Interventies waarin de omgeving betrokken wordt, zijn meer succesvol.  In de voorziene tien weken wordt met de context een parallel traject opgestart.  Doelstelling is ook de ouders bewust te maken van het druggerelateerd risicogedrag van hun zoon/dochter, dit te kunnen situeren in relatie tot hun opvoedingscompetenties. Ouders worden expliciet gevraagd om de aanwezigheid en inzet van hun zoon/dochter in het programma mee te realiseren.  Hiervoor wordt de methodiek van het Contingency Management (4)gehanteerd.  Succeservaringen in deze beperkte periode kunnen ouders motiveren om met de verworven inzichten zelf verder aan de slag te gaan of hier verder ondersteuning in te vragen.  In deze wordt dan ook vanuit het project een gepast vervolg georganiseerd

Linda Doom (september 2010)

Afdelingshoofd Dagcentrum De Sleutel Brugge

Link naar artikel Vroeginterventieproject maakt Brugse jongeren bewust van hun risicogedrag

(1)   Er wordt ook gewerkt met jongeren uit het deeltijds onderwijs algemeen én het  ASO in geval het druggebruik de aanwezigheid en inzet op school dermate verstoort dat een onderbreking op school  i.f.v. het volgen van het VIP project verantwoord blijkt.   In deze kan ook ruimer dan door Groep Intro verwezen worden bv. door het CLB, een instelling bijzondere jeugdzorg,… en zullen ook deze verwijzers intensief betrokken worden.       

(2)   De screening gebeurt binnen POT en de begeleiders van POT hanteren in deze de SEM-J, het recent door de VAD ontwikkelde instrument dat een ernstinschatting maakt van het middelengebruik van de jongere en dat de nood aan verdere alcohol- en drugspecifieke begeleiding inschat. 

(3)   Deze voorstelling omvat naast de resultaten van de screening ruimere informatie op de leefgebieden lichamelijke gezondheid, school en opleiding, alcohol, drugs, illegaal gedrag en justitie, sociale activiteiten en relaties met vrienden, familiale antecendenten en relaties, psychische problemen (conform de domeinen bevraagd in de ADAD of Adolescent Drug Abuse Diagnosis, het instrument gehanteerd bij indicatiestelling in de drughulpverlening). 

(4)   Beloningssysteem dat therapietrouw stimuleert