“Met ons drugsbeleid laten we politie en justitie een brug maken naar de hulpverlening”
Charlotte Colman over haar rol in de Algemene cel Drugsbeleid
Sinds juli 2022 combineert Charlotte Colman haar aanstelling als professor met het werk als Nationaal Drugscoördinator en voorzitter van de Algemene Cel Drugsbeleid. De cel is in het leven geroepen om een integraal, geïntegreerd drugsbeleid te ontwikkelen en staat in voor de dagelijkse coördinatie van het interfederale drugsbeleid. Wat doet deze cel en wat is haar rol als coördinator? Een gesprek.
“De cel bereidt nationale acties en strategieën voor in opdracht van de betrokken ministers. Deze cel bestaat uit administraties en kabinetten van alle federale en regionale ministers betrokken bij het drugsbeleid. Er zijn meer dan 20 ministers op verschillende niveaus bevoegd voor iets dat te maken heeft met drugsbeleid: van preventie tot repressie, zorg, schadebeperking, maar ook onderwijs, mobiliteit, douane. Dus nog ruimer dan de beleidsdomeinen financiën, volksgezondheid en justitie. Met drugs bedoelen we ook meer dan enkel en alleen illegale drugs: ook alcohol, tabak, psychoactieve medicatie, gokken en gamen horen bij de bevoegdheden. Dat maakt de implementatie en vertaling niet eenvoudig. Op de thematische vergadering drugs brengen we al die ministers samen om beslissingen te nemen rond dat drugsbeleid, bijvoorbeeld rond de nieuwe strategie rond alcohol, tabak of illegale drugs. In de algemene cel drugsbeleid met al die vertegenwoordigers van de bevoegde ministers, wordt alles voorbereid. Het zijn de ministers die uiteindelijk beslissen. In de Cel komen dus een 50-tal personen ongeveer elke maand samen om te discussiëren of om voorbereidende teksten te maken. Uiteindelijk gebeurt de politieke bekrachtiging dan nadien tijdens een thematische vergadering van de ministers.”
We hebben recent ook een adviespanel geïmplementeerd dat de cel bijstaat. We spreken vaak over een evidence based drugbeleid, duidend op de wetenschappelijke inzichten. Maar welk orgaan zorgt voor die wetenschappelijke inzichten? En ook: wat met de ervaringsdeskundigheid? We moeten ook evidence informed werken. Ons adviespanel vandaag is een groep van 13 personen die de algemene cel drugsbeleid ondersteunen, zodanig dat we ook hun stem kunnen meenemen. Dat panel wordt eind dit jaar geëvalueerd om te kijken of en hoe we ermee kunnen verder gaan.
Wat zijn klemtonen die je in de nieuwe strategie wil?
Colman: Bij mijn start in 2022 moesten we verder werken vanuit de federale drugsnota van 2009 en de gemeenschappelijke verklaring van 2010. Het landschap is sindsdien echter fors veranderd, o.m. met de opkomst van de synthetische drugs of NPS*, drugsgeweld dat toeneemt, de beschikbaarheid van drugs online. Een update maken was nodig om duidelijk te maken waarvoor ons drugsbeleid vandaag staat. Zowel voor burgers als voor praktijkwerkers: mensen weten niet altijd meer waarvoor ons beleid staat. Er was veel versnippering: een kluwen aan strategieën en actieplannen, maar wat hadden geen goede kapstok. In 2024 hebben we een korte update geformuleerd van de strategie voor de periode 2024-2025 en vandaag werken we aan een uitgebreide strategie: per doelstelling, met concrete acties en een gewenst resultaat. We gaan voortaan ook werken met een beleidscyclus; om de 4 jaar evalueren we het oude plan. Maar aan het basisidee zal niet veel veranderen: de drugsproblematiek is een Volksgezondheidsprobleem. Maar een beleid moet differentiëren. Nemen we nu illegale drugs: voor mensen die deze illegale drugs produceren en verhandelen voor geldgewin is repressie en handhaving nodig. Deze groep moet je financieel pijn doen. Mensen die illegale drugs gebruiken en omwille van feiten in contact komen met politie en justitie – in de strafrechtketen terechtkomen – moet je helpen. Daar is het strafrecht het “ultimum remedium”. Je moet bruggen bouwen naar de hulpverlening. Uit onderzoek weten we immers dat zorg op maat aanbieden voor mensen die een hulpvraag hebben, leidt tot een daling van druggebruik en uiteindelijk tot een daling van criminaliteit. Maar in eerste instantie moet onze focus liggen op preventie, en preventie komt vóór zorg en zorg komt vóór repressie.
Is er een goed evenwicht tussen preventie en repressie?
Interfederaal leggen we de algemene strategie vast met de grote krijtlijnen. Natuurlijk kan elke regio, elk arrondissement of burgemeester zijn of haar beleid bepalen. Ze hebben elk een bepaalde discretionaire bevoegdheid, afhankelijk van de noden in hun specifieke context. Neem nu een lokaal festival. In dat geval werken vele steden met een onmiddellijke minnelijke schikking (OMS), gericht naar personen die recreatief drugs gebruiken Dat is vanuit hun oogpunt te begrijpen: het gaat om een afgebakende tijd gericht op een specifieke groep. Maar we moeten opletten dat we niet in een situatie terechtkomen dat de repressie of het strafrecht uw handhavingsrecht wordt. Dat gaat in tegen de filosofie van je drugsbeleid. Dat gaat ook in tegen de wetenschap dat straffen niet voor iedereen werkt én dat voor mensen die drugs gebruiken én nood hebben aan hulp, een straf hen net in een neerwaartse spiraal kan brengen. Met de vinger wijzen, werkt evenmin. Vraag en aanbod zijn gelinkt aan elkaar: zonder vraag geen aanbod en zonder aanbod geen vraag. Maar één op één zeggen dat mensen die drugs gebruiken, verantwoordelijk zijn voor het drugsgeweld dat we in sommige steden zien of hen zeggen dat ze zich moeten schamen. Dat kan stigmatiserend werken. Dat kan de kans verkleinen dat ze hulp zullen zoeken, nét datgene waarvan we weten dat het kan helpen. Dat mogen we als maatschappij niet doen. Je wilt immers dat mensen die in de problemen zitten, eruit kunnen stappen, handvatten en zorg vinden als ze dat niet alleen kunnen. Ik ben dus minder voorstander van het idee rond schaamte en schuld creëren en angst creëren.
Wat is voor u de grootste uitdaging als drugcoördinator? Waar ligt u wakker van?
Door mijn rol als drugscoördinator besef ik beter waarom wetenschappelijke aanbevelingen niet automatisch geïmplementeerd geraken. Het zorgt er dus voor dat ik een wetenschapper kan zijn met de voeten op de grond. Beleid maken is niet puur en alleen evidence based werken. Je leert dat beleid een samenwerking is van diverse zaken. Ook de praktijkervaring speelt mee. Wetenschap moet daar zijn, maar evengoed ervaringsdeskundigheid… En er zijn ook de ideologieën en de publieke opinie. Denk aan tabak en het streven naar een rookvrije generatie: zonder draagvlak bij de bevolking is het verbieden van roken op terrassen bijvoorbeeld moeilijk. Maar het past perfect in de strategie om te werken naar die rookvrije generatie. En wij denken dat er een voedingsbodem is om dat te implementeren. Maar het lukt dus niet om beleid te maken puur en alleen op basis van evidentie. Alcohol is bijvoorbeeld een moeilijk topic. Los van de evidentie dat elk gebruik van alcohol schade kan berokkenen zit het zodanig verweven in de Belgische cultuur dat strenger reguleren heel gevoelig ligt. Welke boodschap moet er op een flesje alcohol komen? Is dat “alcoholgebruik, schaadt uw gezondheid” of “alcoholmisbruik schaadt de gezondheid”. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dat alcoholgebruik, maar je weet dat heel wat mensen daar geen voorstander van zijn.
En om te antwoorden op de vraag: waarvan lig ik wakker. Ik maak me zorgen, zeker wanneer we voorbeelden uit het buitenland zien, over de kwetsbaarheid van bepaalde profielen van praktijkwerkers die afhankelijk zijn van een financiering die onder druk staat, om kwetsbare groepen te negeren of strenger aan te pakken of om de roep naar meer repressie en strenger optreden en straffen van mensen die drugs gebruiken. Dat laatste wordt soms ingegeven door een publieke opinie die deze vraag ook stelt. Die denkt dat strenger straffen, iets zoals een verslaving, kan oplossen. Een publieke opinie die ook angstiger is geworden in algemene zin, ook al is onze samenleving in algemene zin veiliger geworden.
Beleid beoogt een probleem op te lossen maar kan soms ook nieuwe problemen creëren. We hebben een taak vanuit de wetenschap en de praktijk om deze zorgen te blijven aankaarten. Ik hoop ook dat we vanuit de Algemene Cel Drugsbeleid die stem kunnen laten blijven weerklinken.
Welk idee heeft u over de stappen die gezet kunnen worden richting decriminalisering zoals in Portugal?
Dat is een politieke beslissing en vandaag ligt die niet op tafel. Ik ben daar ook heel voorzichtig mee. Vaak worden voorbeelden uit het buitenland gezien als de wonderoplossing voor België. Je moet altijd heel goed kijken naar hun context en de onze. In Portugal was die decriminalisering één onderdeel van een groter plan, waarbij meer werd geïnvesteerd in hulpverlening én in onderzoek (één van de 10 of 12 issues). De eigenlijke aanleiding voor dat decriminaliseringstraject met die speciale commissies was de grote heroïneproblematiek op dat moment. Vandaag toont de praktijk dat zo’n project enkel werkt wanneer je blijvend investeert in zorg en omkadering. Er waren recent signalen dat bepaalde politie-eenheden – het eerste aanspreekpunt – in bepaalde Portugese steden gedemotiveerd raken omdat ze dezelfde personen blijven terug zien, de zorg kan niet volgen met wachtlijsten tot gevolg. Voor België moeten we ons afvragen wat het doel is en hoe we dat doel willen bereiken, inclusief een investeringsplan. Hetzelfde voor legalisering en regulering. Ik laat me niet uit pro of contra legalisering, want het gaat vooral ook over de reguleringsvoorwaarden, maar ik denk er uiteraard wel over na: welk probleem we moeten aanpakken en welke doelstellingen we dan hier met onze complexe staatsstructuur moeten vastleggen. Als we bijvoorbeeld willen decriminaliseren: hoe ziet dat er dan uit? Voor welke producten? Wie zit er in zo’n commissie, hoe wordt dat opgevolgd? Hoe kunnen blijvend investeren in handhaving (om die voorwaarden na te kijken) én in de zorg.
Is bij legalisering de gemakkelijke toegang tot producten nog geen groter issue om van wakker te liggen?
Als de beschikbaarheid groter is, wordt de kans dat mensen gaan gebruiken inderdaad groter. Dat is een belangrijk punt bij discussies over legalisering. Het ene onderzoek zegt dan dat die groep die start met drugs te gebruiken niet veel groter wordt, andere groepen van onderzoek zeggen dat uw groep wel groter zal worden, maar dat de groep met kwetsbare mensen niet groter wordt.
Onderzoek naar legalisering van bijvoorbeeld cannabis is soms weinig eenduidig omdat elk land of elke staat andere reguleringsvoorwaarden heeft. In de ene staat is het een commercieel model, in een andere wordt het door de overheid heel strikt geregeld. Bij legalisering kan je verschillende reguleringsmodellen hebben die variëren op elementen zoals: variëteiten en THC gehalte van legale cannabis, prijs, wie mag produceren en onder welke voorwaarden mag verkocht worden.
Algemeen is de beschikbaarheid van illegale drugs vandaag groter dan vroeger, als je daaronder tenminste begrijpt dat je “er makkelijk kan aan raken”. Mensen komen niet enkel offline drugs van de zogenaamde straatdealer, maar ook via online drugsmarkten: op internet, via whatsapp of instagram. Ik vind het wel belangrijk om te blijven stellen dat de meeste mensen geen illegale drugs gebruiken.
Welk soort campagnes zijn nodig om druggebruik te ontmoedigen?
Colman: We werken vanuit de universiteit ook rond sensibilisering en awareness. Heel wat lokale steden willen immers een campagne starten om de bevolking te laten zien dat ze de drugproblematiek ernstig nemen. Hierbij gaan ze soms uit van een normalisering rond druggebruik. Ik ben eerder voorzichtig met te spreken over normalisering. Door te zeggen dat “druggebruik alarmerend hoog is of nog nooit eerder zoveel Belgen drugs gebruikten” ga je net bijdragen aan die normalisering. Een campagne moet een concrete doelstelling hebben. Dat kan zijn dat je wil tonen aan jouw burgers dat je het probleem ernstig neemt tot druggebruik ontmoedigen of aanpakken. In het buitenland zie je dat sommige campagnes ook negatieve neveneffecten hebben, zeker wanneer ze universeel zijn opgezet, gericht naar de algemene bevolking: dat ze drempelverlagend werken of net normalisering versterken bvb een slogan zoals “Je verdient snel 1000 euro maar je raakt er niet meer uit of denk aan de campagne in Nederland waar de nieuwe naambordjes de Coolsingel werd omgevormd naar de ”coke singel”. Het idee was awareness (hier wordt cocaïne gebruikt) creëren bij burger maar kan ook het beeld geven alsof “iedereen” in die buurt cocaïne gebruikt. Of bijvoorbeeld een campagne voeren – zoals in Rotterdam – met als slogan “uw lijntje, hun dood”. Dat is angstcreatie en kan stigmatiserend werken. Onderzoek zegt dat je beter gericht naar een bepaalde doelgroep tewerkgaat. Als je wel een gedragsverandering wil creëren: namelijk voorkomen dat iemand instapt in gebruik of zorgen dat die persoon stopt met gebruik, dan is puur kennis geven niet voldoende om gedrag te veranderen, je moet weerbaarheid creëren en een handelingskader ontwerpen. Focus op het positieve gedrag, laat cijfers achterwege, vermeld een nummer dat je kan bellen voor hulp. Naar jongeren toe: leer kinderen bijvoorbeeld via drugpreventie weerbaar worden: hoe moet je omgaan in die situatie? Werk aan die sociale vaardigheden, leer hen neen zeggen. Er is daar heel veel evidentie rond.
*NPS: Nieuwe Psychoactieve stoffen
Paul De Neve (oktober 2025)


Aanverwante info

Lees de volledige bijdrage in het De Sleutel-magazine 84 (klik hier)
Prof. Charlotte Colman: “We zijn er allemaal bij gebaat dat iemand in herstel goed ondersteund wordt”

